Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
VEKTIKALE VOHM VAN VOOR-INDië. § 22. 83
tot aau de zee loopt en alleen door kudden buffels en kameelen
bevolkt wordt. Ilooge oevers beletten de rivier om door over-
stroomingen deze steppe vruehtbaar te maken.
De Ganges ofGanga heeft zijn brongebied niet ver van dat
van den Indus. Is hij het laagland binnengetreden, dan wordt hij
door den breeden gordel van het Vindhia-gebergte in eene ooste-
lijke rigting gedrongen en, vau beide kanten door talrijke zijri-
vieren vergroot, treedt hij jaarlijks buiten zijne lage oevers en
maakt door zijne overstroomingen het eigenlijke land van den
rijst, het suikerriet, de katoen, de banaan vruchtbaar. In zijn be-
nedenloop komt hij digt bij de Brahmapoetra (= zoon van
Brahma), die eerst insgelijks tusschen twee parallelketenen van
den Himalaja naar het oosten stroomt, gelijk de Indus naar het
westen. Hebben zij gescheiden te zamen Bengalen besproeid, dan
vercenigen zij zich in hun mondingsgebied tot eenen stroom, die,
weder in vele armen verdeeld, door moerassige bosschen (van
digte slingerplanten), die het eigenlijke vaderland des tijgers zijn,
in zee valt.
c. De tweede, grootste algemeene landverheffing van Voor-Indië
is het tafelland van Dekan, dat naar het zuiden zich tot
in een kouder gewest verheft. Zijne oostelijke en westelijke rand-
gebergten heeten G h a 11 a ; den noordelijken rand vormt het
V i n d h i a-g e b e r g t e (d. i. het verscheurde, wegens de vele
passen), dat van Goedjerat tot aan den Ganges loopt; in 't zui-
den verbindt het (13 000' hooge) Ni 1 agiri-gebergte de
westelijke en oostelijke Ghatta. Eene tweede, kleinere plateau-
massa in 't zuiden vormt het eilandachtige A1 i g i r i-g e b e r g t e
met zijn bij uitstek gezond klimaat (zie bl. 54), en eene derde
de Adams-piek op het eiland Ceylon. De bergen van Ceylon
zijn takken der Ghatta, ofschoon door een arm der zee van kaap
Comorin gescheiden.
De westelijke Ghatta dalen steil naar de kust af, die gemiddeld
8 mijlen breed is; de lagere oostelijke Ghatta integendeel dalen
langzamerhand naar eene veel brcedere (10—30 mijlen) kust af,
en maken ook niet, gelijk de westelijke, een steilen muur naar de
zijde van het laagland, maar vormen verscheidene evenwijdige,
dikwerf afgebrokene bergrijen, waardoor de rivieren in het kust-
land haren weg banen. Terwijl in den noordelijken driehoek de
O*