Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de theorie der rekenkunst
Auteur: Ouwersloot, D.
Uitgave: Haarlem: A.C. Kruseman, 1852
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7134
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201744
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de theorie der rekenkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
herleiden , plaatst men als noemer onder de breuk,
die dan teller wordt, de eenheid, gevolgd van zoo-
veel nullen als er cijfers in de breuk zijn. Dit is
de algemeene regel.
f. Op dezen regel zijn evenwel uitzonderingen,
welke ontstaan door den onderscheidenen aard der
tiendeelige breuken. Zij zijn: ronde of eindigende
breuken, reeksen en wederkeerende breuken.
g. Men noemt ronde breuken dezulken, die ein-
digen; welker waarde dus juist bepaald wordt, als:
0,25. 0,675 enz. Op de herleiding dezer breuken
is de bovengenoemde regel toepasselijk.
A. Keeksen noemt men zulke breuken, waarin
hetzelfde cijfer tot in 't oneindige herhaald wordt.
0,333 en 0,55^ worden reeksen, ook wel repete-
rende breuken genoemd.
i. Om zulk eene reeks tot eene gewone breuk te
maken, vermenigvuldigt men haar met 10, en trekt
van dit product ééne reeks af, zoodat het verschil dan
gelijk is aan 9 reeksen; dit verschil nu door 9 gedeeld
zijnde, bekomt men de waarde van eene reeks, in
eene gewone breuk uitgedrukt.
k. Wederkeerende breuken noemt men die, waarin
altijd dezelfde cijfers, hetzij twee of meer, terug-
komen. Deze breuken zijn, uit haren aard, even
als de reeksen, oneindig.
l. Om wederkeerende breuken te herleiden, ver-