Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de theorie der rekenkunst
Auteur: Ouwersloot, D.
Uitgave: Haarlem: A.C. Kruseman, 1852
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7134
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201744
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de theorie der rekenkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
schrapt men zooveel getalmerken af, als er zijn in
de breuk van het deeltal.
m. Heeft het deeltal geene breuk bij zich, dan
plaatst men, alvorens de deeUng te beginnen, zoo
vele nullen achter hetzelve, als de breuk des deelers
cijfers bevat.
n. Als er minder getalmerken zijn in de breuk des
deeltals dan in die van den deeler, plaatst men,
voor de ontbrekende cijfers, zoo vele nullen; en als
er na gedane deeUng een overschot is, zet men ach-
ter hetzelve eene nul; en gaat hiermede voort, tel-
kens weder eene nul achter het nieuwe overschot
plaatsende, tot dat de deeUng eindigt, of men
begrijpt dat zij genoegzaam gevorderd is.
Gewone Breuken.
§ 11.
a. Om eene gewone breuk te schrijven heeft men
twee cijfers noodig, die men, afgescheiden door een
streepje, boven elkander plaatst.
h. Het bovenste dezer cijfers noemt men den
teUer, en het onderste den noemer der breuk.
c. De teller stelt het aantal evenmatige deelen
voor, uit welke de grootheid bestaat, die door de
breuk wordt uitgedrukt.
d. De noemer bepaalt den naam of de waarde van
ieder evenmatig deel, in den teller begrepen.