Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de theorie der rekenkunst
Auteur: Ouwersloot, D.
Uitgave: Haarlem: A.C. Kruseman, 1852
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7134
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201744
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de theorie der rekenkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
17
c. Alle grootheden, ja zelfs de kleinste, zijn tot
in 't oneindige deelbaar.
d. Geheel en deelen behooren altijd tot dezelfde
grootheid, die men beschouwt.
e. Gedeelte is datgene, hetwelk, eenige malen
genomen zijnde, gelijk of grooter dan het geheel
worden kan.
ƒ. Men onderscheidt de grootheden in (jelijjcslach-
tige en ongelijkslachtige grootheden.
g. Gelijkslachtige grootheden zijn zoodanige, welke
te zamen tot één zamenhangend geheel kunnen ver-
eenigd worden.
h. Ongelijkslachtige grootheden kunnen niet tot
een zamenhangend geheel vereenigd worden.
i. De deelen eener grootheid zijn, met die groot-
heid, met dit geheel, noodzakelijk gelijkslachtig.
§ 8.
a. Wanneer men twee gelijkslachtige grootheden
met elkander vergelijkt, dan zijn zij gelijk of ongelijk.
b. Eenig gedeelte eener grootheid is evenmatig
of onevenmatig.
c. Een gedeelte eener gi-ootheid is evenmatig, als
het, eenige malen genomen zijnde, aan het geheel
volkomen gelijk kan worden.
d. Een gedeelte van een geheel is onevenmatig,
als het, eenige malen genomen wordende, altijd
kleiner of grooter dan het geheel blijft.