Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de theorie der rekenkunst
Auteur: Ouwersloot, D.
Uitgave: Haarlem: A.C. Kruseman, 1852
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7134
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201744
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de theorie der rekenkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
liet verschil wil zoeken , plaatst men boven het klein-
ste , zoodanig, dat de eenheden, tientallen, honderd -
tallen enz. regt onder elkander komen te staan.
e. Men. begint de aftrekking bij de eenheden, om
het bovenste cijfer met tien te kunnen verhoogen,
als het kleiner mögt zijn dan het onderste.
ƒ. Deze tien verkrijgt men door bij het naastvol-
gende cijfer, aan de linkerhand, dat altijd tienmaal
hooger in rang is, één te leenen; of, zoo dit niet
kan, bij het daaropvolgende cijfer, enz.
g. Men gebruikt een horizontaal of liggend streepje
{—)om aan te duiden, dat twee getallen van elk-
ander moeten worden afgetrokken.
h. Om te beproeven of men goed heeft afgetrokken,
teile men het verschil bij het kleinste der getallen op,
dan moet de som gelijk zijn aan het grootste getal.
§6.
a. De deeling leert vinden hoeveelmaal een getal
in een ander bevat is.
h. Men kan ook zeggen, dat door de deeling
bekend wordt, hoeveelmaal een getal van een ander
getal kan worden afgetrokken; hierin komt de dee-
Ung met de aftrekking overeen.
c. De deeling is eigenlijk niets anders dan het
meten van een grooter getal met een kleiner.
d. De deeling bepaalt derhalve de betrekking,