Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de theorie der rekenkunst
Auteur: Ouwersloot, D.
Uitgave: Haarlem: A.C. Kruseman, 1852
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7134
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201744
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de theorie der rekenkunst
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
te onderscheiden, heeft men namen noodig: deze
namen zijn de getallen.
g. Tellen, is opgeven of aanwijzen hoeveel een-
heden er bij elkander zijn.
h. Men kan niet verder tellen dan tot tien; alsdan
telt men een nieuw tiental, dan weder, enz. tot in
't oneindige. Aan ieder tiental geeft men een' nieuwen
naam, als: tien, twintig, dertig, enz.
§2.
a. Men schrijft de getallen met cijfers oïgetalmrleen..
b. Men heeft slechts negen zulke cijfers, waarmede
men alle mogeKjke getallen kan schrijven. Zij zijn:
1. 3. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
c. Behalve de waarde, die ieder cijfer, op zich
zelf, uitdrukt, heeft het bovendien eene waarde,
die bepaald wordt door de plaats of den rang,
waarin het, ten opzigte van de andere cijfers, in
eenig geschreven getal voorkomt.
d. In een geschreven getal klimmen de cijfers, van
de regter- naar de linkerhand, in een' tienvoudigen
rang op; zoodat, de cijfers gelyk zijnde, ieder volgend
tienmaal zoo groot is als het naastvoorgaande ge-
talmerk.
e. Men heeft, nevens de cijfers, nog een teeken
noodig om eene ledige plaats in een getal aan te vul-
len : hiertoe wordt de nul (0) gebruikt, die dan ook,