Boekgegevens
Titel: Korte geographische oefeningen, voor het eerste onderwijs in de kennis der geheele aarde: ten dienste der lagere scholen
Auteur: Prinsen, P.J.
Uitgave: Amsterdam: Johannes van der Hey en Zoon, 1834
6e verb. dr; 1e uitg.: 1817
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7292
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201639
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte geographische oefeningen, voor het eerste onderwijs in de kennis der geheele aarde: ten dienste der lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 3 —
ken anders is, word: dit door een kompas of
ftreckwijzcr nader aangewezen.
Wanneer men nu eene kaart zal gebruiken, om
de aarde in hare verfchillende deelen te leeren
kennen, dan behoort men de kaart zoo te leg-
gen, dat hare ftreken met die van den gezigtein.
der overeenkomen, ten einde zich goed te kun-
nen oriënteren,
VRAGEN.
ïV/it verfta^it gij door de Aardrijkskunde? —
In hoe veel hoofddeelen kan men dus de Aardrijh^
kunde verdeelen ? — Hoe leidt gij dit uit de ge-
gevene befchrijving af? — ïl'^elke zijn die ?
PFaarvan bedient men zich om deze wctenfchap
gemakkelijk aan te leeren? — Ti^at zijn glohen? —
iVelke middelen gebruikt men meer dan globen ? —■
Waarom gebruikt men meestal kaarten ? — Wat
zijn kaarten?
Hoe onderfcheidt men de kaarten? — Wat zijn
landkaarten ? — JFat zijn zeekaarten ? — Hoe
onderfcheidt men verder de landkaarten ? — Welke
zijn algemeene kaarten? — PFclke zijn bijzondere
knarten ?
Hoe kan men door die kaarten de Aardrijkskunde
leeren ?
Waarop moet men vooral hij het gebruiken van
kaarten letten"^ — Wijst het oosten^ westen^ zuU
den en noorden van den gezigteinder, — Waar
vindt men deze ftreken op de kaart ? — PFaaraan
kent men de ftreken, wanneer de gewone wijze niet
is in acht genomen ?
Hoe moet men de kaart bij het gebruiken leg-
gen ? — Waarom ?
A 2 1.