Boekgegevens
Titel: Esprit de la conversation française: recueil de gallicismes
Auteur: Peschier, Adolphe; Gram, Johan
Uitgave: Leide: D. Noothoven van Goor, 1879 *
2e ed
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7238
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201633
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Esprit de la conversation française: recueil de gallicismes
Vorige scan Volgende scanScanned page
74
Désir, vœu, souhait.
Gelofte, wensch, begeerte.
Ça été de tout temps l'objet de
mes ardents désirs.
Elle est avide de récréations
bruyantes.
11 avait un vif désir d'arriver hier
pour vous revoir encore une fois.
Je désire que vous veniez i sou-
vent nous voir.
Vous avez tout à souhait.
On vous demande, on vous dé-
sire ... arrivez.
Vous allez au-devant de mes voeux.
Moi, vous fuir?... je vous dési-
rais au contraire.
J'avais à coeur d'etre compris.
11 se fait désirer.
Que j'aie cette bonne fortune et
ma joie est au comble.
A votre santé. Monsieur!
Au moment qu'elle venait d'agréer
mes voeux, il me fallut partir.
Je n'aspire qu'à goûter la paix
d'une union bien assortie.
Pauvre garçon !... ce n'est pas
son bonheur que j'ambitionne.
Dat heb ik altijd het vurigst ver-
langd.
Zij houdt van luidruchtige uit-
spanningen.
Hij verlangde zeer gisteren aan te
komen om u nogmaals te spreken.
Ik wensch dat ge ons dikwijls zult
komen bezoeken.
U gaat alles naar wensch.
Men vraagt, men verlangt naar u ...
kom toch!
Gij voorkomt mijne wenschen.
Ik u ontloopen ? ... integendeel
ik verlangde naar u.
Er was mij veel aan gelegen dat
men mij begrijpen zou.
Hij laat naar zich smachten.
Laat mij dit geluk slechts te beurt
vallen en mijne vreugde zal ten top-
punt zijn gestegen.
Op uw gezondheid, mijnheer!
Op 't oogenblik dat zij mijne wen-
schen inwilligde, moest ik weg.
Mijn eenige wensch is, een vreed-
zaam huwelijksleven te genieten.
Arme jongen ! . .. zijn geluk be-
nijd ik hem waarlijk niet.
XLV.
Espoir, perspective, avenir.
Il a des espérances.
Je n'ai d'espoir qu'en vous.
Ce jeune homme donne de gran-
des espérances.
Vous vous bercez d'un fol espoir.
L'avenir décidera si cette démarche
était convenable ou non.
Vous me donnez de l'espoir.
On le berce d'espérances chiméri-
ques ... ses jours sont comptés.
Vous flattez-vous de réussir? —
Oui, je ferai de grandes choses.
Hoop, uitzicht, toekomst.
Hij koestert verwachtingen.
Al mijn hoop is op u gevestigd.
Het is een veelbelovend jong
menseh.
Gij vleit u met een ijdele hoop.
De toekomst zal leeren of deze
stap voegzaam was of niet.
Gij geeft mij hoop.
Men vleit hem met ijdele hoop ...
zijne dagen zijn geteld.
Vleit gij u met een gelukkigen uit-
slag? — Ja, ik zal iets groots tot
stand brengen.
' Le subjonctif est de rigueur quand le verbe exprime un mouvement de l'âme,
comme souhaiter, craindre, trembler etc.