Boekgegevens
Titel: Esprit de la conversation française: recueil de gallicismes
Auteur: Peschier, Adolphe; Gram, Johan
Uitgave: Leide: D. Noothoven van Goor, 1879 *
2e ed
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7238
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201633
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Esprit de la conversation française: recueil de gallicismes
Vorige scan Volgende scanScanned page
32 Pensee, réflexion, jugement.
Gedachte, nadenken, oordeel.
Après mûre réflexion nous renon-
çâmes à l'héritage.
J'ai besoin d'y penser à loisir.
11 m'en coûte beaucoup de dire
mon avis sur ce point.
Ce n'est rien, à votre avis, que
de souscrire de faux billets?
Vous abondez dans mon sens.
Bien des gens pensent de la sorte.
Na rijp beraad hebben wij van de
erfenis afstand gedaan.
Ik moet er op mijn gemak over
nadenken.
Het valt me zwaar mijne meening
hieromtrent bloot Ie leggen.
Naar uwe zienswijze beteekent het
dus niets, om valsche wissels te tee-
kenen?
Gij deelt volkomen mijne meening.
Vele lieden zijn van deze meening.
XVIIL
Croyance, persuasion, illusion.
11 me faudra, je crois, prendre
l'avis de Monsieur ! i7'on.
Je crois que je m'en tiendrai à
cette étofl'e.
Je crois de mon devoir de. .,
J'ai cru que j'allais tomber.
Je l'ai cru présomptueux, libertin,
que sais-je?
Il est à croire que . ..
A vous voir, je ne m'en serais
pas douté.
Dois-je croire à mon bonheur?
n'est-ce pas une illusion ?
En croirai-je mes yeux?
Ce pauvre diable a cru à vos
promesses; mal lui en a pris.
Ceux qui croient aux revenants
ne croient pas en Dieu.
A vous en croire, tout est perdu.
Si vous m'en croyez, vous n'irez
pas.
Moi, d'abord, je n'y crois pas.
Si j'en crois certains présages,
vous pourriez bien réussir.
Geloof, overreding, verblinding,
begoocheling.
Naar 't schijnt, zal deze heer mij
raad moeten schaffen.
Ik denk dat ik bij deze stof zal
blijven.
Ik acht het mijn plicht. . .
Ik dacht dat ik zou vallen.
Ik heb hem voor ingebeeld, lie-
derlijk, weet ik al meer, gehouden.
Men mag gelooven dat. . .
Naar uw voorkomen te oordeelen,
zou men het niet gelooven.
Mag ik aan mijn geluk geloof
slaan? Is het geen bedrog?
Kan ik mijn oogen vertrouwen?
De arme drommel heeft zich op
uw beloften verlaten; dat is hem
slecht bekomen.
Wie aan spoken gelooft, gelooft
niet in God.
Als men u gelooven mag, is alles
verloren.
Als ge mijn raad wilt volgen moet
ge niet gaan.
Wat mij aangaat, ik geloof er
niets van.
Wanneer ik zekere voorteekens ge-
looven mag zoudt ge wel kunnen
slagen.