Boekgegevens
Titel: Esprit de la conversation française: recueil de gallicismes
Auteur: Peschier, Adolphe; Gram, Johan
Uitgave: Leide: D. Noothoven van Goor, 1879 *
2e ed
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7238
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201633
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Esprit de la conversation française: recueil de gallicismes
Vorige scan Volgende scanScanned page
181) Indulte, affront, outrage.
lîelcediging, hoon, smaad.
Une fois pour toutes, taisez-vous !
— Qu'est-ce que cela signifie?...
prctendriez-vous m'imposer silence ?
— Pourquoi pas? — Vous pourriez
payer cher cet outrage. — Je ne
crains pas vos menaces ... autant
en emporte le vent.
Quelles méchantes gens !... leur
joie insulte à mon malheur.
Votre père est une mâchoire. —
Vous dites?... — Une ganache. —
Osez le répéter! — Un idiot. . . tout
ce qu'il y a de plus cornichon. —
Vous m'en rendrez raison.
Quand on raisonne comme vous,
on est à mettre aux petites mai-
sons. 1 — Et quand on est aussi
incivil que vous, on reste dans l'an-
tichambre en compagnie des laquais.
Votre audace passe toute mesure
et vous méritez une leçon. — Qui
me la donnera? — Moi!
Somme toute, c'est un niais. —
Mais ce niais est mon frère ! —
Qu^ m'importe!... ce qui est dit
est dit.
Songez-vous qu'une telle conduite
vous couvre de ridicule, vous rend
la fable de toute la ville? 3 —Mon-
sieur, un tel langage ! — Est le seul
qui convient.
Comment pouvez-vous vous plaire
au milieu de gens de si bas étage ? —
Bas étage! Morbleu! on dirait que
vous êtes né vous-même dans la
pourpre, ou que votre père était
marquis. — Je sais me mettre au-
dessus des plaisanteries de mauvais
goût. — Et moi je serais tenté de
vous appliquer un soufflet.
Eens voor altijd, zwijg! — Wat
beteekent dit ? ... zoudt gij mij mis-
schien 't zwijgen willen opleggen?
— Waarom niet ? — Deze beleedi-
ging zou u duur te staan kunnen
komen. — Ik geef niet om uw be-
dreigingen ... dat zijn woorden in
den wind.
Wat zijn dat boosaardige men-
schen! .. . hun vroolijkheid spot met
mijn ongeluk.
Uw vader is een echte ongelikte
beer. — Hoe zegt ge ? ... — Een
domkop. — Durf dat nog eens te
zeggen! — Een idioot. .. zoo ezel-
achtig mogelijk. — Daarvoor zult
gij mij voldoening geven.
Wie redeneert zoo als gij, moet
naar het gekkenhuis toe. — En wie
zoo onbeleefd is als gij, behoort in de
voorkamer bij de bedienden te blijven.
Uw koenheid gaat alles te boven
en gij verdient, dat men u de les
leze. — Wie zal dat doen? — Ik.
Kortom, hij is een domkop. —
Maar die domkop is mijn broeder! —
Wat gaat mij dit aan! ... gezegd
blijft gezegd.
Bedenk dat gij u door zulk een
gedrag belachelijk maakt en door de
gansche stad in opspraak brengt? —
Mijnheer, zulke woorden! — Zijn de
eenige, die mij doelmatig schijnen.
Hoe kunt ge onder zulk gemeen
volk genoegen vindeu? — Gemeen
volk ! Drommels! men zou zeggen dat
gij zelf van koninklijken bloede waart,
of dat uw vader markies was. —Ik
weet mij boven onbehoorlijke platte
scherts te verheffen. — En ik zou
lust hebben u een oorveeg te geven.
1 Ancien nom des hospices d'aliénés; n'est plus d'usage aujourd'hui que dans le
sens figuré.
2 Les Latins disaient de même : esse fabula, aliorum. Racine a su relever ce qu'il
y a de familier dans cette locution, eu {bX^Sini h. à\iXi& Ipkigénie en Aulide :
„Suis-je, sans le savoir, la fable de l'armée?"