Boekgegevens
Titel: Esprit de la conversation française: recueil de gallicismes
Auteur: Peschier, Adolphe; Gram, Johan
Uitgave: Leide: D. Noothoven van Goor, 1879 *
2e ed
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7238
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201633
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Esprit de la conversation française: recueil de gallicismes
Vorige scan Volgende scanScanned page
180 Renvoi, congé, expulsion.
Passez votre chemin, je n'ai point
de monnaie.
Tu me chasses de chez toi! —
Oui, il faut que cela finisse.
Allez vous promener ou coucher !
Qu'est devenu cet espion ? — On
l'a fait disparaître.
Que le diable m'emporte si je le
sais !
Sur un geste de son maître il
s'empressa de gagner la porte.
Terugzending, ontslag, verjaging.
Ga voorbij, ik heb geen klein geld.
Jaagt gij mij uit uw huis! — Ja,
daar moet een einde aan komen.
Laat mij met rust.
Wat is er van dien spion gewor-
den ? — Dien heeft men verduis-
terd.
De duivel hale mij als ik't weet!
Op een teeken zijns meesters
maakte hij zich uit de voeten.
CXXVL
Dette, devoir, obligation.
Il est criblé de dettes.
Mon frère doit au tiers et au
quart, à Dieu et au diable.
Ce titre ne m'est pas dû.
Ces égards me sont dus.
Cette fortune n'est due qu'au mé-
rite personnel.
Il faut te faire à toi-même un
devoir de l'oublier. — Mais le
moj'en !
La reconnaissance vous en faisait
un devoir.
Vous ne deviez jamais quitter cet
anneau.
Ah! j'aurais dû me battre avec
vous peut-être ? iron.
Je me dois à moi-même de re-
fuser.
Je ne veux, ni ne puis, ni ne
dois accepter.
S'il revenait, que dois-je faire? —
Le congédier.
A la rigueur cela devrait être
ainsi.
J'avais des dettes, dites-vous ? .. .
pourquoi pas ? . . . Les gens riches
en ont bien.
Schuld, plicht, verplichting.
Hij steekt vol schulden.
Mijn broeder zit bij iedereen in
schuld.
Die titel komt mij niet toe.
Deze oplettendheden is men mij
verschuldigd.
Dit fortuin heeft men alleen aan
persoonlijke verdienste te danken.
Gij moet het als een plicht be-
schouwen hem te vergeten. — Maar
hoe is dat mogelijk!
Dankbaarheid legde het u als een
plicht op.
Gij moest dezen ring nooit af-
leggen.
Had ik misschien met u moeten
vechten ?
Ik ben het mij zeiven verplicht,
dit te weigeren.
Ik wil, kan noch mag aannemen.
Wat moet ik doen, indien hij te-
rugkwam? — Hem afwijzen.
Streng genomen, moest het zoo
zijn.
Ge zegt dat ik schulden had?. . .
waarom niet ? .. . Eijke menschen
hebben er wel!