Boekgegevens
Titel: Esprit de la conversation française: recueil de gallicismes
Auteur: Peschier, Adolphe; Gram, Johan
Uitgave: Leide: D. Noothoven van Goor, 1879 *
2e ed
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7238
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201633
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Esprit de la conversation française: recueil de gallicismes
Vorige scan Volgende scanScanned page
Faiblesse, impuissance.
Zwakheid, onmacht.
m
Son faible, c'est le jeu, le vin.
Je n'en puis plus, je vais perdre
connaissance.
La langue est impuissante à re-
tracer ce tableau.
C'est plus fort que lui.
Vous êtes encore faible ... il vous
faudra garder la chambre.
Donnez-moi le bras ... je me sens
mal.
Ma chère fille, votre appui, l
J'ai une extinction de voix.
Voyez à nous faire souper...
nous défaillons.
Elle vient de se trouver mal. ..
vite un flacon !
Le mabule touche à sa fin ; la
langue est déjà paralysée.
J'ai recueilli les derniers soupirs
de votre sœur.
Votre mère tomba de sommeil.
Il tomba raide mort.
C'est le pot de terre contre le
pot de fer.
Spelen en drinken is zijn zwak.
Ik kan niet meer, ik val in on-
macht.
Met woorden is dit schouwspel
niet te beschrijven.
Dat gaat boven zijn macht.
Gij zijt nog zwak ... gij zult uw
kamer moeten honden.
Geef mij uw arm... ik gevoel
mij niet wel.
Dochter-lief, help mij.
Ik heb mijn stem verloren.
Zorg dat wij avondeten krijgen...
wij vallen van zwakheid om.
Zij is daar even in onmacht ge-
vallen . .. geef snel uw reukflesch !
De zieke nadert zijn einde; zijn
tong is reeds verlamd.
Ik heb uw zuster tot haar laatsten
ademtocht bijgestaan.
Uw moeder valt van den slaap om.
Hij viel plotseling dood neer.
Dat is de geschiedenis van den
aarden pot tegen den ijzeren.
CXII.
Attache, lien, nœud.
C'est le seul être qui m'attache
encore à la vie.
Pourvu qu'il veuille bien m'atta-
cher à l'ambassade.
Il est attaché à la cour, à la
maison de la reine.
Comment! lorsqu'un fou s'attache
aux pas de ma femme, il me serait
défendu ? ...
C'est un projet auquel j'attache
mon bonheur.
Une vogue soutenue s'attache à
ce théâtre.
Ce n'est pas un mensonge dans
le sens que j'attache à ce mot.
Band, keten.
Het is 't eenige wezen, dat mij
nog aan het leven bindt.
Zoo hij mij slechts bij het ge-
zantschap wilde aanstellen.
Hij is aan 't hof aangesteld, en
behoort tot het gevolg der koningin.
Wat! wanneer een dwaas mijn
vrouw overal naloopt, zou het mij
dan niet geoorloofd zijn?. ..
Dit is een plan waarop ik mijn
geluk grond.
Deze schouwburg mag op een ge-
stadigen toeloop bogen.
Zoo als ik het bedoel, is 't geen
leugen.
Pour : accordez-moi votre appui \ soutenez-moi.