Boekgegevens
Titel: Esprit de la conversation française: recueil de gallicismes
Auteur: Peschier, Adolphe; Gram, Johan
Uitgave: Leide: D. Noothoven van Goor, 1879 *
2e ed
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7238
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201633
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Esprit de la conversation française: recueil de gallicismes
Vorige scan Volgende scanScanned page
148
Difference.
Onderscheid.
ne se désole pas pour une perte si
légère.
Il m'a donné cet anneau, je lui
en ai donné un autre.
vriendlief!... om zulk een gering
verlies moet men niet wanhopend
zijn.
Hij gaf mij dezen ring, en ik heb
hem er ook een gegeven.
cx.
Suffisance, satisfaction,
contentement.
Est-ce assez de ma parole ?
Allons y aujourd'hui! — Non,
demain c'est assez tôt,
Ai-je assez couru pour le rattraper !
Il est temps que vos folies ces-
sent, j'en ai assez comme ça.
J'aime assez ce dessin.
Qu'il vous suffise de savoir que
je ne le veux pas.
S'il s'en conientcj tant mieux !
Je me contenterais à moins.
Elle n'a pas des vues si ambi-
tieuses.
Il faut demeurer sur son appétit.
En voilà assez. . . faites-moi grâce
du reste.
Cette feuille est assez répandue.
Toereikendheid, voldoening,
tevredenlieid.
Is mijn woord voldoende?
Laten we er van daag heen gaan!
— Neen, morgen is het vroeg ge-
noeg!
Wat heb ik geloopen om hem iu
te halen!
Het wordt tijd dat uw dwaashe-
nen een einde nemen, ik heb er ge-
noeg van.
Deze teekening bevalt mij zeer.
Het zij u voldoende te weten dat
het tegen mijn wil is.
Indien hij er mee tevreden is,
des te beter.
Ik zou met minder tevreden zijn.
Zij stelt haar wenschen zoo hoog
niet.
Men moet zich niet zat eten.
Genoeg daarvan . . . spaar mij het
overige.
Dit blad is tamelijk verspreid.
CXI.
Faiblesse, impuissance.
Les jambes me flageolaient.
Il me prit une faiblesse.
N allez pas faiblir au moins.
J'ai toujours eu un faible pour
la jeunesse.
Je sentis que mes forces allaient
s'évanouir.
/wakheid, onmacht.
Mijn beenen knikten.
Ik viel in onmacht.
Wankel nu toch niet.
Ik heb van ouds een zwak voor
de jeugd gehad.
Ik voelde dat mijn krachten af-
namen.