Boekgegevens
Titel: De hoofdregels: eenvoudige oefeningen voor het mondeling en schriftelijk rekenen
Deel: 2e stukje Getallen tot 1000
Auteur: Ploeg, J. van der
Uitgave: De Rijp: J.W. van Raven, 1894
2e, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7227
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201629
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De hoofdregels: eenvoudige oefeningen voor het mondeling en schriftelijk rekenen
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
39; 970 : 2 = . . 984 : 6 = . .
861 : 3 = . . 861 : 7 = . .
992 : 4 = . . 992 : 8 = . .
775 : 5 = . . 981 : 9 = . .
40. Drie menschen deelen een hoop turven. Als
elk 285 turven krijgt, hoe groot was-dan die
hoop?
41. Een winkelier geeft voor 35 centen 2 M. lin-
nen. Hoeveel geeft hij dan voor 7 guldens 7
dubbeltjes ?
42. Een knaap legt 480 noten op 24 gelijke hoop-
jes. Hoeveel noten komen op elk hoopje?
43. Een tuinier zet 391 koolplanten op 17 rijen.
Hoeveel planten komen op elke rij?
44. Een timmerman plaatst in een straat 625 stee-
nen. Als er 25 rijen zijn, hoeveel steenen liggen
dan op 1 ry?
45. Voor 16 boomen gaf een klompmaker 576 gul-
dens. Hoe duur is 1 boom?
46. Voor een partij erwten gaf een winkeUer 957
gulden. Als de H.L. 11 gulden kost, hoe groot
is dan de partij?
47. Hoeveel dagen zijn er in de eerste negen maan-
den van een schrikkeljaar?
48. Hein had van onze zilveren muntstukken ieder
1 in zijn spaarpot. Hoeveel centen was hij
dan rijk?
49. Van 497 steenen verbruikt een metselaar 296.
Hoeveel zijn er dan nog?