Boekgegevens
Titel: De hoofdregels: eenvoudige oefeningen voor het mondeling en schriftelijk rekenen
Deel: 2e stukje Getallen tot 1000
Auteur: Ploeg, J. van der
Uitgave: De Rijp: J.W. van Raven, 1894
2e, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7227
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201629
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De hoofdregels: eenvoudige oefeningen voor het mondeling en schriftelijk rekenen
Vorige scan Volgende scanScanned page
58
29. Een boer verkoopt een koe voor 187 en een
paard voor 325 gulden. Hoeveel moet hij ont-
vangen ?
30. 247 - 119 = . . 300 - . . = 410
875 - 297 = . . 814 - . . = 387
938 - 459 = . . 760 - . . = 148
276 - 148 = . . 922 - . . = 719
31. Jan heeft 68 knikkers minder dan Gerrit. Jan
heeft 95 knikkers. Hoeveel knikkers heeft Ger-
rit dan?
32. Van 425 L. erwten verkoopt een winkelier op
een dag 169 L. Hoeveel L. houdt hij dan over?
33r 924 - 87 - 117 - 94 = . .
801 - 98 - 246 79 = . .
476 - 64 - 189 _ 56 = . .
517 - 59 - 245 - 28 = . .
34. 6 X 149 = . . 19 X 24 = . .
3 X 286 = . . 15 X 38 = • •
5 X 168 = . . 12 X 47 = . .
4 X 237 = . . 28 X 32 = . .
35. Een winkelier verkoopt 19 M. linnen van 46
cent den M. Hoeveel moet hij ontvangen?
36. Hoeveel uren zijn er in Februari?
37. Van 1000 noten verkoopt een vrouw twee dagen
achter elkander telkens 187, hoeveel houdt zij
over?
38. Een rentenier koopt een huis en een tuin. Voor
den tuin geeft hij 93 gulden minder dan voor
het huis. De tuin kost 786 gulden. Wat kost
het huis?