Boekgegevens
Titel: De hoofdregels: eenvoudige oefeningen voor het mondeling en schriftelijk rekenen
Deel: 2e stukje Getallen tot 1000
Auteur: Ploeg, J. van der
Uitgave: De Rijp: J.W. van Raven, 1894
2e, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7227
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201629
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De hoofdregels: eenvoudige oefeningen voor het mondeling en schriftelijk rekenen
Vorige scan Volgende scanScanned page
_ 16
Als ik . . vermeerder met 65, krijg ik 135.
» . 60 „ , ^ „148.
25. Jan heeft 70 centen. Gerrit 46 centen meer.
Hoeveel heeft G. dan?
§ 4.
1. 4 t. 2 e. + 7 t. 5 e. = . . t. . . e.
8 t. 1 e. + 3 t. 2 e. =
9 t. 5 e. + 6 t. 3 e. =
7 t. 7 e. + 7 t. 2 e. =
2. 83 + 72 == 76 -(- 91 =
45 + 73 = 12 -f 96 =
16 + 52 = 23 + 45 =
3. 42 centen -4- 85 c. = . . c.
93 „ + 62 c. = . . c.
68 noten -f- 81 n. = . . n.
34 peren + 75 p. = . . p.
72 appels +84 a. = . . a.
4. Tel op: 32 centen 43 noten 75 griffels
71 „ 82 „ 81 „
25 „ 64_^ 92_^
. . c. . . n. . . gr.
5. Bij 48 centen doet moeder 71 c., dan zijn er
. . c. 4- . . c. = . . c.
6. In een land loopen 74 lammeren en 42 schapen.
Hoeveel dieren loopen in dat land?
7. In een mand zijn 94 noten, in een andere 82 n.
Hoeveel zijn in beide samen?