Boekgegevens
Titel: Leesoefeningen voor kinderen volgens de leerwijze van den heer P.J. Prinsen
Deel: Vijfde stukje
Auteur: Picard, H.
Uitgave: Amsterdam: H. Höveker, 1855
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7203
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201621
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesoefeningen voor kinderen volgens de leerwijze van den heer P.J. Prinsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
gV 'zeg-gen'. Achy Ueere, wat al kwaad
heb ik gê-daan. Ja ^ dan zult gij zeg-gen:
ik ben veel stou^ter dan an-de-re kin-de-ren.
Want ik ge-voel de groot-heid van mijn kwaad;
Mijn zon-de xie 'k mij steeds voor co-gen zwe-ven:
'k Heb le-gen ü, ja U al-leen, mis-dre-ven;
Uw' wil en wet, hoe hei-lig, stout ver-smaad.
Ik heb ge-daan, dat kwaad was in uw oog;
Dies ben ik, Heer^ uw gram-schap dub-bel waar-dig.
16.
G\i doet dik-wljls kiraad, dat va-der of
vnoe-der niet ziet, Maar €rod ziet het;
UiJ weet al-les wat gij doet. «Fa 9 God
heeft u al-tijd ge-zien. llïj kent el-kc
ge-daeh-te, die nu in uw hart is; en l&ij
weet ook nu reeds» wat gif ooit den-ken
of spre-ken zuit. IfiJ ziet u, al is het
don-ker^ even goed ais op den dag. Er
Is geen sehep-sel, dus ook geen kind,
on-zigt-haar voor zijn oog.
Niets isy 0 Op-per-ma-jes-teit /
Be-dekt voor uw aUwe^tond^'heid,
Gij kent mc; Gij door-grondt inyn daên.
Gij weet mijn sit-ten cn mijn staan. ^
Wat ik he-raad* of wil be-trach-ten,
Gij kent van var-re mijn ^e-dach-ten.