Boekgegevens
Titel: Oefeningen ter herhaling en uitbreiding van Taal en stijl
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongensweeshuis
Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1881 *
7e dr
Opmerking: 1e cursus
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7000
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201552
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Stelvaardigheid, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen ter herhaling en uitbreiding van Taal en stijl
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
lOi. fluisteren beteekent____
Mompelen beteekent----
Iemand luchtigen wil zeggen..,.
Een gesprek afbreken beteekent... .
Wanneer moeder zegt, dat wij dezen middag drie gasten
krijgen , bedoeld zij , dat drie____
Eene .... noemt men wel eens een besje.
Eene stad versterken wil zeggen... .
Ik zeg, dat een kind gebrekkig leest, wanneer het____
Men noemt een reis voorspoedig , wanneer____
Die man is ten grave gedaald, beteekent.. ..
Mijn broeder is in den bloei zijner jaren gestorven, wil
zeggen , dat hij. ..
Iemand tot het werk noodzaken, beteekent.
Wanneer ik zeg, dat iemand zijne stap])en verhaast, wil
ik te kennen geven.. ..
Iemand gehoorzaamt op staanden voet, wanneer hij... .
Men noemt de eeuwigheid eindeloos, omdat... .
lOï^. Plaats de volgende werkwoorden in den tegen-
woordigen tijd.
De kne('ht volgen zijnen meester 0|i den voet. De
dood sparen niemand. De rijke pochen op zijne schatten,
en bedenken niet, dat zij hem ieder oogenblik ontnomen
kunnen worden. De wet gebieden zulks. De arme moe-
ker zuchten en storten bittere tranen ovei* het verlies van
haar kind. De landman omspitten den grond diep, daar-
om voortbrengen hij zooveel vruchten. De hond blaffen,
kwispelstaarten en opspringen tegen zijn meester.
blijden mij over uwe vorderingen. De geheele stad jïfic/ien
en jubelen bij den intocht des konings. Waarom ant-
woorden gij niet? Ik (/ït/ven niet. Ik/ms^ere/t aandachtig
en toch verstaan ik niet, wat gij zeggen. Hij ]dagen
iedereen , daarom beminnen hem niemand. De dief ont-
vluchten maar de gerechtsdienaars grijpen, hem en trug-
brengen hem naar de gevangenis. Gij trachten tevergeefs