Boekgegevens
Titel: Oefeningen ter herhaling en uitbreiding van Taal en stijl
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongensweeshuis
Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1881 *
7e dr
Opmerking: 1e cursus
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7000
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201552
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Stelvaardigheid, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen ter herhaling en uitbreiding van Taal en stijl
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
voorbeeld. Een spel is gevaarlijk, wai/neer men daardoor
licht een ongeluk krijgen kan
OO. Maak zinnen, waarin de volgende uitdrukkingen
voorkomen.
aan den gang houden in het licht staan
overeind staan voor den dag halen
uit den weg gaan in de war geraken
op het punt zijn in den wind slaan
aan de beurt zijn over het hoofd groeien
uit de mode zijn van wal steken
uit het hoofd praten van plan zijn
Maak een opstel over den landman.
De landman is een gelukkig man. Hij leeft bijna altijd
in de vrije natuur. Is dit ook het geval met de werk-
lieden in de fabrieken en met de meeste stedelingen?
Onder de landlieden vindt men de gezondste menschen.
Zijne akkers en zijn vee voorzien in zijn onderhoud. Wat
hij te veel heeft, brengt hij naar de markt. Wat zoo al ?
Hij verkrijgt dit alles niet zonder zwaren arbeid. Wat
doet hij in den herfst en in de lente ? (Het land bewer-
ken , zaaien.) Wat in den zomer ? (Maaien, den oogst
inhalen.) Ook in den wintei* is hij niet ledig. (Dorschen,
het vee verzorgen.)
Plaats de werkwoorden in den tegenwoordigen tijd.
Gij bidden niet eerbiedig. De lente schenken ons veel
genoegen. Wie vei'bieden u met mij te gaan ? De land-
man binden het graan in schooven. Ik verstaan u niet,
gij spreken te zacht. Met groot geraas binnentreden hij
de kamer. Ik begrijpen niet, wat gij bedoelen. Ik weten
niet, wat gij zeggen. De ijverige leerling (twc?ew geprezen.
De heer bevelen zijnen knecht hem te volgen. Uei vriezen,
dat het kraakt. De vijand innemen de stad. Wij komen
om u af te halen. Wie bieden zooveel geld voor dit huis?
Hoelang blijven gij in Amsterdam ? Ik doorbrengen hier
mijn tijd genoeglijk. Wie uitschelden u ? De koetsier
Hjden te langzaatu. Gij bewijzen mij een grooten dienst-