Boekgegevens
Titel: Oefeningen ter herhaling en uitbreiding van Taal en stijl
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongensweeshuis
Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1881 *
7e dr
Opmerking: 1e cursus
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7000
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201552
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Stelvaardigheid, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen ter herhaling en uitbreiding van Taal en stijl
Vorige scan Volgende scanScanned page
ai)
Verhaal eens een voorbeeld van de getrowwheid,
de waakzaamheid of slimheid- van een hond.
Plaats de volgende werkwoorden in den tegen-
woord i gen tijd.
De verkwister worden arm. De dokter rijden naar den
zieke. De knecht }toetsen de laarzen en uitkloppen de
kleeren. De onvoorzichtige jongen blootstellen zich aan
groote gevaren. Het arme kind lijden veel pijn. De
leerling beantwoorden de vragen. Ons huis worden ver-
bouwd. De wolf verscheuren het lam. De hond achter-
volgen den haas. Ik mijne les. De smid sniec^en
het ijzer. De schuldige belijden zijne misdaad en de
straf worden hem kAvijtgescholden. De priester wenden
zich tot het volk. God overladen ons met weldaden,
ofschoon wij het niet verdienen. Gij houden uwe pen niet
goed, daarom schrijven gij zoo slecht. De rook stijgen
recht omhoog, daaruit besluit ik, dat het mooi weer
zal worden. De hloeni verwelken , omdat het niet rer/en«».
Vader melden mij , dat mijn broeder ongesteld zijn. De
wind suizen door het gebladerte. De stormwind huilen
en loeien. De zieke weenen qxv zuchten. De landman p^oe-
gen en er/f/t'/ï den akker. Ik lüoc/i^*?« hier reeds lang. Wat
hoesten hij veel ?
Plaats nu het voorgaande in r/^'H volm. verl. tijd-
Handel )net de volgende zinnen ah in A' 56.
De winkelier verkoopt tabak en snuif. In het begin
van den zomer scheert de herder de schaj)en De zonde
beleedigd God grootelijks. De kleine jongen spelt het
woord. De kleermaker maakt een nieuwen mantel. De
vlugge zwaluw snapt menig mugje. Onze tuinman ver-
plant den jongen boom. De wind werpt den trotschen
eik omver. De koning bestuurt het land. De werk-
lieden graven eene diepe sloot. Een arme man vraagt
eene aalmoes. De struisvogel legt groote eieren. De
priester verkondigt het woord Gods. De trouwe hond
bewaakt het huis. De wreede tijger valt soms den ster-
ken buffel aan. Waarom roept gij mij ? Ik roep u