Boekgegevens
Titel: Oefeningen ter herhaling en uitbreiding van Taal en stijl
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Tilburg: Stoomdrukkerij van het R.K. Jongensweeshuis
Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1881 *
7e dr
Opmerking: 1e cursus
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7000
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201552
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Stelvaardigheid, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen ter herhaling en uitbreiding van Taal en stijl
Vorige scan Volgende scanScanned page
9
1<>. Kene llesch ontkurken beteekent____
Teinand onthoofden beteekent____
Ken paard ontzadelen wil zeggen____
Kene schotel ontdekken is ....
Ken weg verhreeden wil zeggen ....
Vermageren beteekent....
Het vuur vo^armt ons, beteekent....
Wanneer ik zeg: die man is verhuisd^ wil ik daardoor
te kennen geven, dat....
Zeg ik van een leerling , dat hij verplaatst is , van een
kleed , dat het verkleurd is , dan bedoel ik daardoor, dat
de leerling____en het kleed ....
Bladerloos noemt men een boom, die____
Een ouderloos kind is een kind , dat....
Iemand is krachteloos , wanneer hij ....
Een vat is bodemloos., wanneer____
OnbegHjpelijk is eene zaak , die men niet....
Onvermijdelijk is een gevanr, dat men____
Breekbaar is iets, wanneer het .... kan worden.
Smeltbaar, wanneer .... en hoorbaar, wanneer ....
II, Van welk geslacht zijn de volgende zelfst. naamw.9
Plaatst achter de mannelijke eene iii, achter de vrouwUjke
eene v en achter de on-ijdige eene o.
Zolder, kamer, zaal, zon, hut, akker, bloempot, veld,
kanaal, letter, sabel, tand, top, nicht, vloer, been, voet
lelie, liniaal, schoen, schuit, blad, bladzijde, avond ^
kanon , baard , appel . muur, sloot, peer, tuin, borst, pet,
hoed, vinger, visch, asch, sleutel, ladder, hond, kat, duif,
zwijn, tang, bijtel, schaaf, schilderij, pad, vlieg, broek,
toren, brug, ziel, jas, ster, dood, zomer, maand, dag^
bosch , artnoede , rijkdom , liefde , berouw , moed , koper.
Voeg een geheelen zin als bepaling bij het gezegde^
door te antwoorden op de achterstaande vragen.
De lamp gaat uit. Waarom ?
De zwaluwen vertrekken in den herfst. Waarom?
Noë droeg een dankoffer op. Wanneer ?