Boekgegevens
Titel: Verzameling van woorden en gesprekken in het Hoogduitsch en Hollandsch, ten gebruike van eerstbeginnenden
Auteur: Obermüller, L.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1878
Utrecht: P.W. van de Weijer
2e verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6997
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201550
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verzameling van woorden en gesprekken in het Hoogduitsch en Hollandsch, ten gebruike van eerstbeginnenden
Vorige scan Volgende scanScanned page
Seite.
Ja; doch men moet voorzigtig zijn.
Zeker. Men stelt zich aan het gevaar bloot van
te verdrinken, wanneer het ijs breekt.
Kom, laten wij wat gaan glijden.
Hebt gij uwe schaatsen in orde gebragt ?
Neen, nog niet. Ik hoop met Kerstmis een paar . J
nieuwe te krijgen.
Ja, Kersttijd, 'tis waar. Kersttijd is op handen.
En zal ons mooije dingen (veel moois) brengen.
Er is, geloof ik, geen dag in 'tjaar, waarmeê
de kinderen zoo veel op hebben, als Kersttijd.
Dat is zeker. Ik weet er althans geen.
Wij zullen een mooijen kerstboom voor mijn zusje
maken (versieren).
Ligt er genoeg sneeuw om te sledevaren ?
O ja! Het sneeuwt onophoudelijk door.
Het sneeuwt (er vallen) groote vlokken.
Maar het is te koud.
Het is nog niet zoo koud, dat merg en been
bevriezen
Mijn vingers zijn al geheel stijf.
Gij zijt een kouwelijke bloed.
Ik kan het van koude niet langer uithouden.
Welaan, laat ons dan sneeuwballen maken; dat
zal ons wel verwarmen.
Ik ben stijf van koude.
Kom digter bij het vuur; warm u.
Ik vrees dat ik winterbuilen zal krijgen.
Men moet de handen niet te digt (bij het vuur)
houden.
Door het aanraken van de kagchel krijgt men de
meeste winterbuilen.
Daarom houd ik ook meer van een open haard.
Maar gij hebt een slecht vuur (uw vuur brandt
slecht).