Boekgegevens
Titel: Verzameling van woorden en gesprekken in het Hoogduitsch en Hollandsch, ten gebruike van eerstbeginnenden
Auteur: Obermüller, L.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1878
Utrecht: P.W. van de Weijer
2e verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6997
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201550
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verzameling van woorden en gesprekken in het Hoogduitsch en Hollandsch, ten gebruike van eerstbeginnenden
Vorige scan Volgende scanScanned page
Seite.
Kunt gij dammen, Alfred ?
Ja, een beetje; maar ilt heb het in langen tijd
niet gespeeld (gedaan).
Laten wij een partij spelen.
Hebt gij een dambord ?
Hier is er een. Neem gij de zwarte schijven. Ik
zal de witte nemen.
Wie begint?
Wij zulJen zien wie begint. Gij begint.
Ik zet (schuif) deze voor (vooruit).
Goed. Ik ook.
Vriend, gij moet slaan.
Ik zie het wel. Ik zal er twee verliezen, waar-
voor ik er één sla.
Ik krijg meteen dam. Geef mij dam.
Ik heb ook dam.
Gij zult niet voor de tweede maal dam krijgen.
Gij kunt beter spelen dan ik; ik zal zeker ver-
liezen.
Uw spel staat nog zoo slecht niet. Speel op.
Ha! gij hebt er twee te slaan. Ik heb er niet
op gelet
Gij kunt nog maar twee zetten doen.
Daar zijn uwe twee laatste schijven vastgezet. Ik
heb gewonnen.
Ik kan niet met u spelen (niet tegen u op).
Laat ons eene nieuwe partij beginnen. Gij moet
maar beter opletten.
Aan wien behoort dit fraaije tuinbed ?
Het behoort aan mijne zuster. Daar is het mijne.
Uw vader moet een goeden tuinman hebben.