Boekgegevens
Titel: De geschiedenis van Jozef voor kinderen
Serie: Stukken het schoolwezen betreffende, 2: 3
Auteur: Oosterwijk Hulshoff, Willem van
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J. de Lange
Groningen: J. Oomkens, 1844
11e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7040
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201545
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding, Theologie, godsdienstwetenschappen: onderzoek en interpretatie van het Oude Testament
Trefwoord: Jozef, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De geschiedenis van Jozef voor kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
72 DE GESCHIEDENIS
hem gegeten hadden, kochten zij wéér koren,
omdat zij den volgenden morgen vroeg wilden
vertrekken. Ieder had zijn' eigen' zak, dien
hij wel kende, en ook door zijn' eigen' ezel liet
dragen. Al die zakken werden met koren ge-
vuld , en toen deed Jozef ieders geld weêr bo-
ven in eiken zak, net als de vorige reis. Dit
deed hij, om de broeders nog eens verwonderd
en verlegen te maken, en ook, omdat hij , die
nu zulk een rijk man was, geen geld van zijne
broeders daarvoor wilde aanneTnen.
Kaatje. Maar, /Meesier! is dat nu een nieuw
plan van Jozef; dat was immers het oude geval
van laatst ?
Mr. Niet te haastig, Kaatje! Jozef deed nog
meer. Een' mooijen zilveren beker, waaruit hij
zelf gewopn was te drinken, liet hij stilletjes
pakken in den korenzak van Benjamin, zijn'
jongsten broeder, zoodat het scheen, alsof die
denzelven gestolen had.
Kaatje, o! Nu begrijp ik het al.
Mr. De elf broeders stonden den volgenden
dag heel vroeg op, en begonnen hunne reis naar
Kanaan veel vrolijker, dan te voren. Zij had-
den nu Simeon weêr bij zich, en Benjamin reis-
de ook weêr mede naar vader; — alles ging zoo
als zij wenschten, en beloofde eene aangename
tehuiskomst. Wat zouden zij veel te vertellen
hebben van dien vriendelijken Heer in Egypte,
en van het gastmaal!
Jozef versliep zich, ondertusschen, dien mor-
gen ook niet. Zoodra als hij rekende, dat zijne
broeders even de stad uit konden wezen, riep
hij zijn' voornaamsten knecht, en zeide: ,, Daar
,, hebben die vreemde kooplieden, die hier gis-
,, teren middag aten, mijn' zilveren drinkbeker
,, gestolen, en denkelijk bij hun koren ingepakt!