Boekgegevens
Titel: De geschiedenis van Jozef voor kinderen
Serie: Stukken het schoolwezen betreffende, 2: 3
Auteur: Oosterwijk Hulshoff, Willem van
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J. de Lange
Groningen: J. Oomkens, 1844
11e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7040
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201545
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding, Theologie, godsdienstwetenschappen: onderzoek en interpretatie van het Oude Testament
Trefwoord: Jozef, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De geschiedenis van Jozef voor kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
VAN JOZEF. ^ 111
nog eens doen, hetgene wij in 'l begin van ons
verhaal ooIï deden. Toen zeide iii , dat Jakob
een' zoon kreeg, die Jozef hectlc, en, in éénen
verbeeldden wij ons, dat die Jozef al een jon-
geling was van zeventien jaar, omdat ik niets
wist te vertellen van al dien tusschentijd. Zoo
zulien wij nu ook, om dezelfde reden, wéér
zeventien jaar moeten overstappen, en zien
eens, wat Jakob gebeurde, toen hij zeventien
jaar in Goseu had gewoond.
Keesje. Toen ging hij misschien wéér rei-
zen in andere Landen?
Mr. Neen, Keesjel al zijne reizen waren
toen ten einde; hij voelde zijne krachten ver-
minderen ; hij werd sukkelachtig van ouder-
dom. Dit was ook waarlijk geen wonder in
zijne hooge jaren! Kunt gij wel uitrekenen,
hoe oud Jakob toen was?
Keesje. Neen, Meester! zoo aanstonds niet.
Mr. Denk maar eens na, hoe oud Jakob
zich zeiven noemde, toen hij bij Koning Farao
kwam , in bet tweede jaar van den honger.
Keesje. o , Dat is ook waar! Toen zeide
hij: ,, Ik heb honderd en dertig jaar op aar-
,, de omgezworven." Daarbij tel ik nu de ze-
ventien jaar, welke hij in Gosen gewoond
heeft, en dan krijg ik... honderd zevenenveer-
tig jaar. Is dat goed uitgerekend, Meester?
Mr. Heel goed, Keesje! — Toen Vader
Jakob dan gedurig begon zwakker te wor-
den , en wel voelde, dat hij haast sterven zou,
liet hij Jozef bij zich roepen. Deze brave
zoon hoorde met leedwezen, dat vader niet
wel was, en reisde, zoo spoedig hij maar kou,
naar Gosen. Toen hij daar gekomen was, zei
de oude man tegen hem: ,, Jozef! als gi
,, mij nu opregt lief hebt, daii moet gij mi'