Boekgegevens
Titel: De geschiedenis van Jozef voor kinderen
Serie: Stukken het schoolwezen betreffende, 2: 3
Auteur: Oosterwijk Hulshoff, Willem van
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J. de Lange
Groningen: J. Oomkens, 1844
11e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7040
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201545
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding, Theologie, godsdienstwetenschappen: onderzoek en interpretatie van het Oude Testament
Trefwoord: Jozef, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De geschiedenis van Jozef voor kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
100
de geschiedenis
voornaamste Egjptenaren , terwijl hij ondersteund
werd door den grooten Regent, die hem als zij-
nen vader eerde en bediende.
Kootje. Dat was braaf van Jozef, dat hij
zich niet schaamde over zijn' vader, en niet te
grootsch was, om met he-Ti bij den Koning te
gaan !
Mr. Dat was het ook , Kootje! Jozef stelde
er zijne eer in, den ouden herder openlijk en
overal voor zijnen geliefden vader te erkennen,
even als hij ook zijne broeders erkend had, en
gaarne met hen gezien wilde wezen. Zoo be-
hoort ieder te doen, die aanzienlijk en rijk
wordt, boven zijne ouders of zijne broeders
€n zusters. Maar de menschen doen dat niet
altijd, zoo als hét behoort. Een burgerzoon,
die onverwacht een groot lieer wordt, vergeet
dikwijls zijne brave ouders of vrienden Hij
wil haast niet weten, dat zij waarlijk zijne bloed-
verwanten zijn; hij spreekt niet gaarne van
hen; hij wil niet met hen gezien worden op
straat; zij zijn hem te burgerlijk, te ouder-
wetsch van manieren en kleeding, om hen te
vertoonen, en de menschen daardoor te herin-
neren , wat hij weleer was, en wat hij g worden
of gebleven kon zijn. Als hij zijnen vrienden
nog iels medegeeft van zijn' rijkdom , zoo als
zijn pligt is, dan doel hij dit meest op eene
trotsche wijze , om maar van hen af te komen,
«f om te maken, dal andere lieden geen kwaad
van hem spreken. — Wal dunkt u, kinderen!
is dat niet eeiijk en ondeugend?
Keesje. Wel ja! 'l spijt mij, dal er men-
schen zijn, die zoo doen. Nu, als ik ooit heel
rijk word, zal ik daar evenwel op passen.
Mr. Dan zal ik met genoegen zien, Kees!
dat gij een groot Heer wordt ; maar anders zag