Boekgegevens
Titel: De geschiedenis van Jozef voor kinderen
Serie: Stukken het schoolwezen betreffende, 2: 3
Auteur: Oosterwijk Hulshoff, Willem van
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J. de Lange
Groningen: J. Oomkens, 1844
11e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7040
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201545
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding, Theologie, godsdienstwetenschappen: onderzoek en interpretatie van het Oude Testament
Trefwoord: Jozef, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De geschiedenis van Jozef voor kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
vaniozef. 85
kunnen. Ons dunkt, als Jozef zooveel hield
van vader en van de broeders, dan moest hij al
lang iemand naar Kamcin gestuurd hebben , om
te zejïgen , dat hij nog leefde, en waar hij Avas,
en hoe het hem ging. Omdat hij zich nu zoo
stilhield , denken wij, dat hij zijne vrienden ge-
heel vergeten had, of dat het hem niet schelen
kon , al zag hij ze nooit weêr, en dat was im-
mers regt leeüjk?
Mr. Zekerlijk, ik moet zeggen , Kootje! dat
gij betere reden hebt voor uwe beschuldiging ,
dan ik dacht. Zoo als gij do zaak daar voorstel-
de! , lijkt Jozef waarlijk vrij wat schuld te heb-
ben ; doch, bij nader onderzoek, hoop ik u
echter te doen zien, dat hij onschuldig was» en
zijne vrienden wel degelijk liefhad. Laat mij,
ondertusschen, eens hooren, Clirisje! wat gij er
op bedacht hebt, om onzen Jozef vrij te spreken.
Chrisje. Ik denk, dat Jozef niemand naar
Kaman zal gezonden hebben, omdat hij niet
durfde. Hij zal bang geweest zijn, vader te
laten weten, dat hij nog leefde ; want die zou
hem zekerlijk weerom gehaald hebben; het ge-
heele geval van het verkoopen zou uitgekomen
zijn ; de broeders hadden dan braaf kijven gekre-
gen , en zij zouden, uit nijdigheid, den goeden
Jozef daarvoor nog meer kwaad gedaan hebben:
omdat hij nu dat allemaal vreesde, hield hij zich
maar doodstil.
Mr. En gij, ICaatje! wat hebt gij voor Jozef
gezegd; welke reden geeft gij van zijn stilzwijgen
in die twintig jaren ?
Kaatje. Mij dunkt, dat Jozef niemand uit
Egypte naar zijn' vader en naar zijne broeders
kon sturen, omdat zij nog gedurig reisden van
de eene plaats naar de andere, ea hij dus niet
weten kon , waar zij te vinden zouden zijn.
■7