Boekgegevens
Titel: De geschiedenis van Jozef voor kinderen
Serie: Stukken het schoolwezen betreffende, 2: 3
Auteur: Oosterwijk Hulshoff, Willem van
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J. de Lange
Groningen: J. Oomkens, 1844
11e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7040
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201545
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding, Theologie, godsdienstwetenschappen: onderzoek en interpretatie van het Oude Testament
Trefwoord: Jozef, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De geschiedenis van Jozef voor kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
84
de geschiedenis
liegende Avond.
Gen. XLV : 25—XLVI : 30.
Chrisje. Eer gij begint te vertellen, Mees'
ter! moet ik u eens iets zeggen. Gisteren a-
vond hoorden wij van u, dat Jozef zijne broe-
ders en zijn' vader liefhad; dat hij voor hen al-
le zorgen wilde; dat hij al lang wenschte, den
ouden Jakob te zien en pleizier te doen, zoo-
veel hij maar kon. Kaatje en Heintje en ik vin-
den dat. regt mooi. Wij wilden gaarne een'
broeder hebben net als Jozef, en houden, sedert
gisteren, nog meer van hem, dan vóór dien
tijd. Maar Kootje en Keesje en Mietje zijn knor-
rig op den goeden Jozef. Zij gelooven niet, dat
hij zijn' vader en zijne broeders regt van harte
beminde. Nu hebben wij ons best gedaan voor
Jozef; maar kunnen hun niet beduiden, dat zij
ongelijk hebben. Gij moest ons eens helpen,
lieve Meester! dan winnen wij het vast!
Mu. Dat wil ik gaarne doen; want ik ge-
loof ook, dat Jozef zijn' vader en zijne broe-
ders opregt liefhad. Laat ons dan eens hoo-
ren, wat er tegen hem te zeggen is. Kom-
aan , Kootje! vertel mij eens, waarom gij, met
Keesje en Mietje, denkt, dat onze Jozef eigen-
lijk niet veel hield van Vader Jakob en van de
broeders.
Kootje. Omdat hij niet ééns naar vader,
of naar de broeders, liet vragen in al die twin-
tig jaren, waarin hij uit Kanaan was geweest.
Wij begrijpen niet, hoe men iemand regt lief
kan hebben, en dan, in zoo langen tijd, gee-
ne moeite doen, om te welen, of hij nog leeft,
en hoe hij vaart, en wanneer wij hem eens zien