Boekgegevens
Titel: De geschiedenis van Jozef voor kinderen
Serie: Stukken het schoolwezen betreffende, 2: 3
Auteur: Oosterwijk Hulshoff, Willem van
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J. de Lange
Groningen: J. Oomkens, 1844
11e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7040
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201545
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding, Theologie, godsdienstwetenschappen: onderzoek en interpretatie van het Oude Testament
Trefwoord: Jozef, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De geschiedenis van Jozef voor kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
de geschiedenis
gewenscht, hem te zien en goed te doen; want,
die zijne ouders niet liefheeft, die heeft god ook
niet lief.
Als een braaf zoon, die zijn' vader opregt
bemint, sprak Jozef, op deze wijze, tegen zijne
broeders: ,, Komt, Iaat ons geen' tijd verzui-
,, men. Reist schielijk weêr naar Kanaiin, en
,, vertelt aan onzen goeden vader, dat gij zijn'
,, Jozef wedergevonden hebt. Vertelt hem van al
,, mijne grootheid en rijkdom. Zegt hem, dat
,, ik Heer van Egypte ben, dat ik voor hom
,, en voor de geheele familie zorgen wil. Verzoekt
,, hem vriendelijk , ten eerste bij mij te komen.
<,, Brengt den ouden man hier bij zijn' zoon,
,, die zoo zeer naar hem verlangt. Brengt uwe
,, vrouwen mede, en uwe kinderen, en al wat
„ gij hebt."
Kootje. Dat was heel lief gezegd; maar, als
Jozef zoo naar vader verlangde, waarom ging hij
dan zelf niet mede naar Kanaan, om hem te zien
en af te halen?
Mr. Dat wenschte hij wel te doen; maar hij
kon met, om zijn ambt. Hij moest in Egjjpte
blijven, om het bestuur waar te nemen, zoo als
hij beloofd had. Ware dat zoo niet geweest,
dan moest hij vast naar zijn' vader zijn vertrok-
ken; maar nu was het zijn pligt, zulks niet te
doen, al wilde hij nog zoo gaarne. Ieder, die
een ambt of beroep heeft, wat het ook zij, moet
dat trouw waarnemen, ter dege oppassen, en niet
meer leven naar zijne eigene verkiezing.
Koning Farao had reeds gehoord, dat Jozefs
broeders bij hem gekomen waren. Hij wilde wel
hebben, dat de geheele familie in Egypte kwam,
en beloofde aan Jozef, dat hij niels te goed zou
achten voor den ouden man en deszelfs huisge-
zin. Ook zeide de Koning, dat Jozef wagens,