Boekgegevens
Titel: De geschiedenis der Israëliten, na den dood van Jozua, gedurende het bestuur der Regters, tot den eersten koning Saul
Auteur: Oostkamp, Jan Antonie
Uitgave: Deventer: J. de Lange, 1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7035
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201541
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De geschiedenis der Israëliten, na den dood van Jozua, gedurende het bestuur der Regters, tot den eersten koning Saul
Vorige scan Volgende scanScanned page
D E R ^S R A ê L I T E N. 6t
ta&liten van het juk der overheerfching te be-
vrijden , maar liij deed ook zijn uiterfte best,
om de afgoderij, die onzalige bron van alle
volksonheilen uiiteroelien, hoewel de edele man ,
in dit zijn godvruchtig voornemen, niet in alles
naar wensch gedaagd is.
Koosje. Hoe kwam dat, F ad er? HIJ
was toch Regler over al het volk.
Vader. Wat bet laatlle betreft, Koosje!
dat OTHNiëL Regler over het geheele volle
was, moet met eenig onderfcheid verilaan wor-
den; want al de Rammen hadden hem de waar-
digheid van opperhoofd niet opgedragen , daar
leest men nergens van; maar het komt mjj voor,
dat uit hoofde van den dienst, welken hij dé
verdrukte Hammen had bewezen , en omdat
men duidelijk zag, dat God met hem was, zoo
bewees men hem overal gehoorzaamheid, die
échter meer. in eerbeid dan in volftrekte onder-
werping gelegen was. In moeijelijke gevallen
zullen de öudlten des volks hem dikwijls hebben
Om raad gevraagd, en dan werd doorgaans naar
zijn oordeel gehandeld. En wat het eerde aan-
gaat, de oorzaken Waarom hij de afgoderij niet
geheel konde uitroeijen, deze waren gelegen iri
de gefteldheid der Israeliten zelve: want de af-
godifche Kanadniten woonden in htm midden;
zij hadden met deze afgodifche volken eenen zeer
gemeenzamen omgang, en waren door onderlin-
ge huwelijken met deze volken verbonden. Maar
zouden nu de Israeliten hunne familiën verza-
ken , en hunne Kanaünitifche vrouwen verfloo.
ten en uitroeijen ? Daar was in het geheel niet
aan te denken, en zoo lang dit zoo bleef waS
er Op geene innerlijke verbetering te hopen.
■ OTIÏ.