Boekgegevens
Titel: De geschiedenis der Israëliten, na den dood van Jozua, gedurende het bestuur der Regters, tot den eersten koning Saul
Auteur: Oostkamp, Jan Antonie
Uitgave: Deventer: J. de Lange, 1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7035
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201541
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De geschiedenis der Israëliten, na den dood van Jozua, gedurende het bestuur der Regters, tot den eersten koning Saul
Vorige scan Volgende scanScanned page
BER I S U A ë L I T E N. $7
gebergte Gilead, waar zijdoor eenen zwervenden
tierdersrtam gul ontiiaald en van het noodige voed-
lel voorzien werden. Na deze regttijdige ver-
kwikking floeg Gideon den weg op naar Kar-
kar, eene plaats, zoo het fchljnt, gelegen op
rie grenzen van den Itam Dan; en hier viel hij
het Midianitifche leger , hetwelk van honderd
zeven en dertig duizend, to: op vijftienduizend
man veifmolten was, in den rug; verfloeg ook
dit overblijffel der vijanden, kreeg de twee Ko-
ningen gevangen, veroverde eenen grooten buit,
en keerde, in zegepraal, als volkomen overwin-
naar terug.
Jan. Daar ben ik regt bliide om, maar nu
dat volk te Succoth en Pnuël. Hield hij daar
ook afrekening mede?
Vader. Gideon hield zijn woord; want
toen hij met ziin overwinnend legertje door de,
bergengte van Cheres trok, vingen zq eenen jon-
gen flaaf, welke G i d e o n de namen op gaf van de
cjverheden der ftad Succoth; deze liet hij voor
zich komen, en vertoonde hun de twee gevan-
gene Koningen, onder het uufpreken van deze
nadrukkelijke woorden: „ Ziet hier nu Zebach
„en Tsalinunna van welke gg mij fmadel^jk
„ verweten hebt: brengt ze aan de hand tot
„ ons, dan zullen wij u en uw volk brood ge-
ven." Hierop liet hij d« regenten van Succoth
(trengel^k geefelen met doornen der woestijn, of
volgens de gedachten van anderen, deed hij hen
op fcherpe doornen en distelen leggen en onder
eene ijzeren dorschflede verpletteren.
Koosje. Ach, hoe naar!
Vader. ' Van Succoth vertrok Gideon
naar Pnuél; da inwoners derer Itad floten de
G póor-