Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der vaderlandsche geschiedenis, ten dienste van hen, die zich tot de lessen bij de Koninklijke Militaire Akademie wenschen voor te bereiden
Auteur: Mulder, Lodewijk
Uitgave: Arnhem: D.A. Thieme, 1863
2e dr
Opmerking: Tweede deel: Nieuwe geschiedenis
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-698
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201485
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der vaderlandsche geschiedenis, ten dienste van hen, die zich tot de lessen bij de Koninklijke Militaire Akademie wenschen voor te bereiden
Vorige scan Volgende scanScanned page
-176
het hoofd der Corsikanen, en hield nog zestien jaren lang den
strijd vol tegen de Gemiczen, die door Fransche hulptroepen on-
dersteund -werden, tot dat Corsika in Mei 1708 door Gnnua aan
Frankrijk verkocht werd, en Paoli kort daarna allen verderen
tegenstand moest opgeven.
Van mindere beteekenis waren de drie overige Italiaansche
staten: het Hertogdom Modena, waar het huis van Este aan hef
bewind was, de kleine Republiek Litcca en de Ridderstaat Malta,
die bestuurd werd door de Ridilers der Orde van St. Jan, welke
zich daar in 1522 had gevestigd (I Deel, bl. 162), en sedert
dien tijd gewoonlijk de Malthezer-orde genoemd werd.
In den toestand van de volkplantingen der onderscheidene Euro-
peesche mogendheden waren gedurende het tijdvak, hetwelk in
deze afdeeling is behandeld, gewigtige veranderingen gekomen,
tengevolge van eene reeks van gewigtige gebeurtenissen, die hier
alleen in algemeene trekken kunnen worden medegedeeld.
De Republiek der Vereenigde Nederlanden, ten tijde van den
Munsterschen vrede de eerste koloniale mogendheid der aarde,
hield zich gedurende de tweede helft der 17de eeuw op dat
hooge standpimt staande, doch begon toen langzamerhand daarvan
af te dalen. De Oost-Indische Compagnie bereikte haren hoogsten
bloei in 't begin der 18de eeuw, doch geraakte langzamerhand, ten
gevolge van verkeerd bestuur, in zoodanig verval, dat zij alleen
door geldelijke ondersteuning van de regering voor een geheelen
ondergang kon bewaard blijven, ofschoon haar landbezit aan-
zienlijk was vermeerderd, en zich uitstrekte over Java, de Mo-
lukken, de westkust van Sumatra, de West-en Zuid-oostkust van
Borneo, Makassar, Rioutv, Malakka, Ceylon en de Kaap de Goede
Hoop, waar in 1652 eene volksplanting was aangelegd.
De West-Indische Compagnie die in de tweede helft der 17de
eeuw Brazilië aan de Portugezen (bl. 115) en Nieuw-Nederland
aan Engeland, (bl. 116) moest afstaan, legde achtereenvolgens
volksplantingen aan in Essequebo en Berbice, op Tobago, St. Eusta-
tius, Saba en St. Marlijn. In den loop der 18de eeuw bleef haar
toestand nagenoeg dezelfde; doch len gevolge van den oorlog met
Engeland, van 1780—1784, ging zij zoodanig achteruit, dat de
Algemeene Staten haar in 1791 ontbonden, en hare koloniën tot
een eigendom van den Staat verklaarden.
Geen rijk was gedurende het afgeloopen tijdvak als koloniale
mogendheid zoodanig toegenomen als Engeland. De Oost-Indische
Compagnie (bl. 104), die in 1G48 haren ondergang nabij scheen.