Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der vaderlandsche geschiedenis, ten dienste van hen, die zich tot de lessen bij de Koninklijke Militaire Akademie wenschen voor te bereiden
Auteur: Mulder, Lodewijk
Uitgave: Arnhem: D.A. Thieme, 1863
2e dr
Opmerking: Tweede deel: Nieuwe geschiedenis
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-698
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201485
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der vaderlandsche geschiedenis, ten dienste van hen, die zich tot de lessen bij de Koninklijke Militaire Akademie wenschen voor te bereiden
Vorige scan Volgende scanScanned page
-5
§ 4. Vijandelijkheden tusschen de Vereenigde Nederlanden
en Portugal. Oorlog met Engeland en met den Bis-
schop van Munster.
Behalve den oorlog met Engeland en de deelneming aan den
sirijd tusschen de Noordsche mogendheden , had de Republiek
der Vereenigde Nederlanden in de eerste jaren, welke op den
Westfaalschen vrede volgden , nog een oorlog te voeren met
de I'ortiigezen, die zich evenwel alleen tot vijandelijkheden in
Brazilië en in de Oost-Indische bezittingen bepaalde. Zoo als vroe-
ger gezegd is (bl. 99), had de Republiek in 1G41, toen Portugal
zijne onafhankelijkheid herkregen had, een wapenstilstand voor
den tijd van tien jaren met dat rijk gesloten. In 1651 , toen die
tien jaren verstreken waren, begon men onderhandelingen om
tot den vrede te geraken, doch men kon het over de voor-
waarden niet eens worden; de vijandelijkheden werden dus her-
vat , doch door de Nederlanders in Ameril;a met weinig kracht
gevoerd, heigeen ten gevolge had, dat men in 1661 tot eene
schikking kwam, en Brazilië voor 8 millioen guldens aan Por-
tugal afstond. In Oost-Indiê daarentegen werden de P^rtitgezen uit
nagenoeg al hunne bezittingen verdreven, en werd de magt der
Nederlandsche Oost-Indische Compagnie door deze belangrijke ver-
overingen tot eene aanzienlijke hoogte opgevoerd.
Hoezeer de Nederlanden nu met alle mogendheden in vrede
waren , zagen de Algemeene Staten , vooral de schrandere Raad-
pensionaris DE WiTT , zeer goed in, dat er nog van onderschei-
dene zijden gevaren dreigden. Engeland bleef voortdurend na-
ijverig op den uitgebreiden handel der Republiek, en op den groo-
ten invloed, dien zij op de staatkundige aangelegenheden van
Europa uitoefende, terwijl daarenboven Koning Karel H na zijn
herstel op den troon , het den Staten niet vergaf, dat zij hem
vroeger niet tegen Cromwell hadden ondersteund, en dat zij zijn
neef, den jeugdigen Prins van Oranje, niet in de waardigheid
zijner voorouders herstelden, hoewel Holland, om Karel II te
believen en de Stadhouderlijke partij te bevredigen , de acte van
seclusie (bl. 112) in 1660 had ingetrokken. Om zich zooveel mo-
gelijk tegen Engeland te versterken, sloot men in 1662 een ver-
bond van onderlinge bescherming met Franhrijk.
Van die zijde evenwel dreigde een gevaar van anderen aard;
meer en meer werd het duidelijk, dat de heerschzuchtige Lo-
dewijk XIV het voornemen koesterde, zich zoodra de omstandig-
heden daartoe gunstig mogten zyn, van de Spaansche Nederlanden