Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der vaderlandsche geschiedenis, ten dienste van hen, die zich tot de lessen bij de Koninklijke Militaire Akademie wenschen voor te bereiden
Auteur: Mulder, Lodewijk
Uitgave: Arnhem: D.A. Thieme, 1863
2e dr
Opmerking: Tweede deel: Nieuwe geschiedenis
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-698
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201485
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der vaderlandsche geschiedenis, ten dienste van hen, die zich tot de lessen bij de Koninklijke Militaire Akademie wenschen voor te bereiden
Vorige scan Volgende scanScanned page
-102
t De keizerlijke waardigheid was zoo goed als erfelijk geworden
in het geslacht van Habsburg. De vorsten uit dit Huis, wier
grondgebied bij het einde der middeleeuwen van weinig be-
teekenis was, hadden hunne heerschappij sedert dien tijd aan-
zienlijk uitgebreid. Behalve in hun stamland, het Aartshertog-
dom Oostenrijk, regeerden zij als erfelijk vorst in Tyrol, Stier-
marken, Karintliië en Krain, en in het Koningrijk Bohemen.
Hongarije was een kiesrijk gebleven; waar tijdens het sluiten van
den Westfaalschen vrede, Keizer Ferdinand Hl den titel van
Koning droeg, hoezeer hij slechts in een gedeelte het bewind
voerde: het overige was aan den Sultan van Turkije en aan den
Vorst van Zevenbergen onderworpen.
Zwitserland, in 1648 voor een vrij gemeenebest verklaard, be-
stond uit 13 met elkander verbondene kantons.
De Republiek der Vereenigde Nederlanden , bestond uit 7 Souve-
reine provinciën en de Generaliteits-landen. In iedere provincie
voerden de gewestelijke Staten, en over de geheele Unie als
mogendheid, de Algemeene Staten het bewind. In 1647 was aan
Prins Willem II van Oranje de waardigheid van Stadhouder op-
gedragen in alle provinciën, behalve in Friesland, waar zijn neef,
Willem Frederik van A'assait, Stadhouder was.
De drie Noordsche rijken, bij het einde der middeleeuwen nog
te zamen vereenigd, waren in het begin der zestiende eeuw ge-
scheiden, en verdeeld in twee rijken: Zweden en Denemarken met
Noorwegen.
Zweden, aanvankelijk weinig beteekenend, had zich in de laat-
ste jaren van het vorige tijdperk tot de magtigste mogendheid
van het Noorden verheven. Het Zweedsche rijk strekte zich uit
over de tegenwoordig aan Rusland behoorende kustlanden aan
den oostelijken oever der Oostzee, van het noordelijkste gedeelte
af tot aan de stad Riga; bovendien had het bij den Westfaal-
schen vrede een aanzienlijk grondgebied in het noorden van
Duitschland verkregen (bl. 92). De oorlog met Polen was, zoo
als vroeger gezegd is, in 1629 afgebroken door een wapenstil-
stand, die in 1635 voor den tijd van 26jaren verlengd werd (bl.90).
Denemarken, waartoe Noorwegen, de Far-öer eilanden, IJsland
en Groenland behoorden, was uitgeput door de gevoerde oorlogen.
In 1648 was Frederik III, bij den dood van zijnen vader Ghris-
tiaan IV, tot Koning verkozen.
Het Koningrijk of de Republiek Polen (I Deel bl. 222) had
nog wel steeds een uitgebreid grondgebied, maar de gebrekkige
iBI