Boekgegevens
Titel: Drie honderd en vijftig rekenkunstige opgaven, die beredeneerd moeten worden uitgewerkt
Auteur: Moll, H.J.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten & zoon, 1882
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6619
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201461
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie honderd en vijftig rekenkunstige opgaven, die beredeneerd moeten worden uitgewerkt
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
3. Twee menschen hebben f 100. Had de eene
f i meer en de andere /S minder gehad, dan zou-
den ze evenveel gehad hebben. Wat had ieder?
4. A en B deelen /IIO. Had de eene /4 meer en
de andere f3 minder gekregen, dan had de eene " maal
zooveel als de andere. Wat kregen zg van de/'HO?
5. Iemand moet f betalen. Hij komt zooveel
centen te kort als hij stuivers heeft. Hoeveel komt
hij te kort?
6. De som van twee getallen is 50. Het verschil
dier getallen is gelijk aan de helft van het kleinste
getal. Welke zijn die getallen?
7. Als P de jaren, die hij oud is, bij eene eeuw
voegt, en die som door 3 deelt, wijst het quotiënt
juist de jaren, die hij oud is, aan. Hoe oud is h'y?
8. Als iemand bij zijn geld een gulden kr'ygt, dan
heeft hij op 25 centen na 6 maal zooveel als h'y eerst
had; wat had h'y eerst?
9. A' en B hebben samen 50 schapen. Als A de
helft van zijn schapen verkoopt, houden ze er samen
nog 42 over. Hoeveel schapen hebben A en B?
10. Iemand geeft | van zijn geld uit. Welk ge-
deelte van de rest moet h'y uitgeven om nog J van
z'yn eerste geld over te houden?
§ 33.
1. Een vierkant en een rechthoek waarvan de lengte
3 maal de breedte is, hebben gelijke omtrekken.
Welk heeft den grootsten inhoud?
2. Hoeveel kub. inhoud heeft eene hoeveelheid
water die 1 H.G. weegt?