Boekgegevens
Titel: Drie honderd en vijftig rekenkunstige opgaven, die beredeneerd moeten worden uitgewerkt
Auteur: Moll, H.J.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten & zoon, 1882
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6619
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201461
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie honderd en vijftig rekenkunstige opgaven, die beredeneerd moeten worden uitgewerkt
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
7. Welk vierendeel van een jaar is het langste
en welk is het kortste?
8. In 1869 was A 20 jaar en B 10 jaar. In welk
Jaar was A driemaal zoo oud als B?
9. Drie kinderen moeten 25 cents deelen. Het eerste
moet cent meer dan het tweede, en het tweede 2
cent meer dan het derde krijgen. Wat ontvangt ieder?
10. Drie menschen koopen samen eene koe.
A geeft/'40, B/50, C/90. Voor slachtloon en andere
kleinigheden betalen ze ƒ 2^. De huid verkoopen ze
voor /"llj. Als nu één K.G. vleesch hun juist 57
cents kost, vraagt men te berekenen, hoeveel K.G.
vleesch A, B en C ontvangen hebben.
§ 17.
1. Bij een getal is het vierde gedeelte van een geheel
gevoegd. Als het eerste getal anderhalf maal grooter
is geworden, vraagt men te beredeneeren, welk getal
dat was.
2. Hoe kan men | maken tot
a. door aftrekking,
b. » vermenigvuldiging en
c. » deeling.
3. Drie menschen A, B en C koopen hout. A
geeft daartoe /2, B geeft en C geeft/2?. Welk
gedeelte krijgt ieder van dat hout?
4. Iemand geeft van zijn geld ^ uit. Als hij nog
de helft van de rest weggeeft, houdt hij juist 3^
over. Wat had hij?
5. Iemand geeft van zijn geld de helft op één cent
na uit. Van die rest verteert hij 17 centen en houdt
dan nog 4 centen over. Wat had die man?