Boekgegevens
Titel: Opgaven ter berekening uit het hoofd voor de leerlingen der lagere school: behoorende bij de Handleiding voor het rekenonderwijs
Deel: Derde stukje
Auteur: Meurs, J.
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp, Van de Grampel & Bakker, 1876
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6508
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201433
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Opgaven ter berekening uit het hoofd voor de leerlingen der lagere school: behoorende bij de Handleiding voor het rekenonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
2. Hoeveel is 0.4 van de helft van een honderdtal?
5. Hoeveel is een tiende van 23, 36, 47, 98, 117? En
hoeveel 0.2 dezer getallen?
4. Bereken 0.4 van 16, 25, 45, 3.5 en 12.5.
5. Hoeveel is een honderdste van 12, 18, 26 en 114?
En hoeveel 0.02, 0.06, 0.08 dezer getallen?
6. Bereken 0.03, 0.08, 0.12 en 0.23 van 7?
7. Bereken nu 0.003 van 4, 16, 23 en 36.
8. Hoeveel is 4.9 X 0.36?
9. Hoeveel oenten bedraagt het 8e deel van een gulden
minder dan een vierde deel van een rijksdaalder?
10. Vijf tiende deelen van myn geld bedraagt dertiende-
halven gulden, hoeveel is een 10e deel en hoeveel
de geheele som?
§ 7.
1. Iemand verdient per dag 1.23 gl.; hoeveel is dat in
eene week? Hoeveel in een jaar?
2. Iemand koopt voor den winter 14 H.L. aardappelen
van 1.30 gl. den H.L. en een varken van 100 K.G.
tegen 56 centen de K.G.; hoeveel geld beloopt dit
te zamen?
3. Bereken eens den prijs van 12.3 K.G. suiker, als
de 0.5 K.G. 60 centen kost?
4. Van twee getallen bedraagt de som 21, terwijl het
eene getal 17.23 is. Bereken het andere getal.
5. Van twee andere getallen bedraagt het product
0.025. Als de vermenigvuldiger 0.5 is, hoeveel
is dan het vermenigvuldigtal?