Boekgegevens
Titel: Leerboek der mechanica
Auteur: Michaëlis, G.J.
Uitgave: 's Hage: Henri J. Stemberg, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6527
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201432
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke mechanica
Trefwoord: Mechanica, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der mechanica
Vorige scan Volgende scanScanned page
'237
ten opzichte van elkander verplaatst, terwijl de veerkracht
ze in den oorspronkelijken stand poogt terug te brengen.
Aan den draad AB (figuur 2) is een zware bol bevestigd,
oni hem te spannen, en een horizontale staaf C, die zich
boven een in graden verdeelden cirkel bevindt. Als op het
vrge uiteinde van deze staaf eene kracht werkt in lood-
rechte richting, wordt de draad om zgne as gewenteld, en
de staaf C komt in een nieuwen evenwichtstand. De hoek
van afwijking, ook hoek van torsie genoemd, kan op den
verdeelden cirkel worden afgelezen.
üe werking der kracht op den draad is gelijk aan die
van een koppel, dat tot moment het product der kracht en
der lengte van de staaf C heeft. In den draad ontstaat
door de verplaatsing der deeltjes een koppel met een mo-
ment , dat even groot is , maar tegengestelde richting heeft;
dit koppel is eene maat voor de torsie van den draad. Men
heeft gevonden, dat het moment van het laatstgenoemde
koppel evenredig is met den hoek van torsie ; hieruit volgt,
dat verschillende krachten, die in C loodrecht op den
wgzer werken, evenredig zijn met de hoeken, die zi] dien
wijzer doen doorloopen. Wy zagen reeds in hoofdstuk VI
dat van deze wet bij de torsie-balans gebruik gemaakt wordt,
om kleine krachten te meten.
Als hetzelfde koppel werkt op draden, die uit dezelfde
stof bestaan en gelijke doorsneden hebben, zijn de hoeken
evenredig met hunne lengten. Verder hangt de hoek van
torsie van den elasticiteits-coëfiScient en van den vorm en
de grootte der doorsnede af; is laatstgenoemde cirkelvormig,
dan is de hoek, onder overigens gelijke omstandigheden,
omgekeerd evenredig met de vierde macht van den straal.
Voor de praktgk is ook het onderaoek van belang der
veerkracht, die ontstaat bij het buigen van staven.
Zij bv. AB (zie fig. 3) een staaf, die in A bevestigd is,
en waarop in B een gewicht werkt; zulk een staaf zal eene
andere gedaante/li?'aannemen ; had de doorsnede eerst den
vorm van een rechthoek, dan zal zij na de buiging eene figuur
zijn, die door kromme Ignen begrensd wordt. De buiging,