Boekgegevens
Titel: Leerboek der mechanica
Auteur: Michaëlis, G.J.
Uitgave: 's Hage: Henri J. Stemberg, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6527
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201432
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke mechanica
Trefwoord: Mechanica, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der mechanica
Vorige scan Volgende scanScanned page
6
ZZ'. Het snijpunt O dezer assen draagt den naam van
oorsprong der coördinaten.
De afstanden van een punt A tot de coördinaatvlakken,
namelyk de loodlijnen AB, AC en AG, heeten de coördi-
naten van dat punt. Inplaats van deze afstanden, kan
men, zooals uit de beschouwing der figuur volgt, ook de
stukken OE, OF en OD op de assen nemen. Wanneer
die stukken gegeven zijn, en bovendien bekend is, aan
welken kant van den oorsprong gerekend, ze op de assen
moeten uitgezet worden, is de plaats van het punt ten
opzichte der coördinaat-vlakken volkomen bepaald. Het
gedeelte OX der as XX' wordt positief, het andere deel
OX' negatief genoemd; evenzoo OY positief en OY' ne-
gatief, OZ positief en OZ' negatief. Deze onderscheidingen
zijn noodig, omdat anders punten, in de acht verschillende
drievlakkige hoeken gelegen, waarin de coördinaat-vlakken
de ruimte verdeelen, dezelfde coördinaten konden hebben.
§ 6. Indien een punt zich in een plat vlak beweegt,
en men voor eiken stand, dien het gedurende die bewe-
ging inneemt, zijne coördinaten ten opzichte van twee be-
paalde assen in het vlak kent, is daardoor de baan van
het punt in dat vlak gegeven. Zoo ook wordt uit de ver-
andering der coördinaten van een punt ten opzichte van
drie assen in de ruimte, zijne baan met betrekking tot die
assen gevonden.
Indien de baan eene rechte iijn is, bepaalt deze de rich-
ting der beweging, als bovendien bekend is, in welken zin
de lijn doorloopen wordt. De richtingen van lynen in
hetzelfde platte vlak kunnen ten opzichte van twee recht-
hoekigre coördinaat-assen vastgesteld worden, door de hoe-
ken , die zij met een der assen vormen.
De richting der lijn AO, of van eene lijn evenwijdig met
deze (zie figuur 1), wordt gewoonlijk gemeten door den
hoek dien zij met de as XX', en wel met het positieve
gedeelte dezer lijn, maakt.
De richting van de lijn A'0 wordt bepaald door den hoek
OX, die van de liju A " O door den inspringenden hoek A "OX.