Boekgegevens
Titel: Maria of Raadgevingen aan moeders, om hare kinderen, naar ligchaam en geest, behoorlijk op te voeden
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Doesborch: Kets & Lambrechts, 1842
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-644
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201365
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Maria of Raadgevingen aan moeders, om hare kinderen, naar ligchaam en geest, behoorlijk op te voeden
Vorige scan Volgende scanScanned page
42
deelnemen. Maar hoe werd ik bedrogen. Verdrie-
lig zag ik den een* na den andereu naderen, en
even verdrietig zicli naast Imnne ouders plaatsen.
Men wilde bijna van niets eten; dan was het te
zoet, dan weer te zuur; men greep nu eens naar
deze, spoedig naar gene spijs. Zij baden niet
vóór zij aten, vroegen aan hunne ouders geen
ve^'lof, om te beginnen, de een twistte en krakeel-
de nog erger dan de andere. De moeder smeek-
te, de vader verbood, maar alles te vergeefs, er
bestond geen ontzag voor hunne ouders , en geene
tevredenheid onder de kinderen. Toen ik bij ge-
val, na den afloop der maaltijd, eene andere ka-
mer voorbijging, waarvan de deur openstond, zag
ik, hoe de moeder, naauwelijks een uur na het
eten, allerlei snoeperijen aan de kinderen uitdeel-
de. Misschien was dit ook vóór het middagmaal
geschied. Ja, dacht ik, nu weet ik genoeg, waar-
om zij aan tafel niet eten wilden, en zoo bleek en
ziekelijk er uit zien; nu begrijp ik ook, van waar
dat verdrietig humeur komt. Zulk een dwaas toe-
geven aan hunne verkeerde begeerten, wat kan
het anders, dan nadeelig op ligchaam en geest
werken? — Op den terugweg zette ik den loop
mijner gedachten voort, en deed mij zeiven de
vraag, welke mannen en vrouwen eens uit zulke
kinderen zouden gevormd worden. Wanneer zij
ook alles in ruimen overvloed bezitten, dan nog
zijn zij niet te vreden, want de ouders beroven
lieu van den kostbaarsten schat — van de getond-
heid. Slechts datgene, wat de mensch behoorlyk