Boekgegevens
Titel: Méthode familière, pour ceux qui commencent à s'exercer dans la langue française = Gemeenzame leerwijze voor degenen, die zich in de Fransche taal beginnen te oefenen
Auteur: Marin, Pieter; Scheerder, H.
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp en Van de Grampel, 1826
Amsterdam: A. Bakels
2e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6334
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201359
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Méthode familière, pour ceux qui commencent à s'exercer dans la langue française = Gemeenzame leerwijze voor degenen, die zich in de Fransche taal beginnen te oefenen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.'O
Méthode famiUère.
verbuigingen
van de betrekkeiijk aahwijmende voornaamwoerden (proneM
démonstratifs relatifs') , deze 2i|n i
Celui-ci, celui-là i ceux-ci, ceux-là. Ceile-ti ^ celle-là;
cellee-ci en celles-là.
Als de zeiniandige naamwoorden, waarop deze voor-
naamwoorden betrekking hebben, in het Fransch man'
nelijk enkelvoud zyn, dan gebruikt men altijd: telui'Si
of' celui-là , en in hec meervoud : ceux-ci of ceux-là :
Mannelijk enkelvoud.
(Schrijver.)
IC. Deze, die,
ae. Fan dezen , van dien.
3e Aan dezen, aan dien.
4e. Dezen , dien.
Mannelijk meervoud.
(Schrijvers.)
le. Deze, dié,
ae. Fan deze, van die,
3e. Aan deze, aan die,
4e. Deze, die.
Masculin singulier.
{ Auteur.")
Nom, Celui-ci, celui-la.
Gén. De celui-ci, de celui-là»
Dat. A celui-ci, à celui-là.
Acc, Celui-ci* celui-là.
Masculin pluriel.
(Auteurs.')
Nom. Ceux-ci, ceux-lù.
Gén. De ceux-ci, de ceux-là.
Dat. A ceux-ci, à ceux-là.
Acc. Ceux-ci, ceux-là.
En als de zelfftandige naamwoorden in het FratisCh vrou-
welijk enkelvoud zijn, d»n gebruikt men altijd: telie-ti
of celle-là, en in het meervoud: xelles-<i t>ï celles-lài
Vrouwelp enkelvoud.
(Lamp.)
le. Deze , die ,
2e. Fan deze, van die,
3e, Aan deze, aan die.
4e. Deze, die.
Féminin singulier.
(Lampe.)
ATo/«. Celle-ci," celle-là.
Gén. De celle-ci, de celle-là.
Dat. A celle-ci, à celle-là.
Acc, Celle-ci, celle-là.
k