Boekgegevens
Titel: Méthode familière, pour ceux qui commencent à s'exercer dans la langue française = Gemeenzame leerwijze voor degenen, die zich in de Fransche taal beginnen te oefenen
Auteur: Marin, Pieter; Scheerder, H.
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp en Van de Grampel, 1826
Amsterdam: A. Bakels
2e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6334
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201359
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Frans, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Méthode familière, pour ceux qui commencent à s'exercer dans la langue française = Gemeenzame leerwijze voor degenen, die zich in de Fransche taal beginnen te oefenen
Vorige scan Volgende scanScanned page
jo Métliock Familière.
De dienstboden, enz.: Les domestiques, etc.:
De knecht.
De meid.
Een kantoorknecht.
Eene winkeldochter.
Een kamerdienaar.
Eene kamenier.
De tuinier.
Dc keetfier.
De kok.
De keukenmeid.
De naaijler.
De bleeker.
De yfaschter^ de bleekfier.
De melkboer.
De melkvrouw.
De groenboer.
De groenvrouw.
De fruitvrouw»
Een vreemdeling.
Een buurman.
i^ene buurvrouw.
Een blindeman.
Een doove.
Een flomme.
Een doofftomme.
Ben reusi
Ligchaamsdeelen:
j^en ligchaam.
Eene ziel.
Een geest.
De leden.
Het hoofd»
Het aangezigt.
Le valet, le domestique.
La servante, la domestique.
Un garçon de comptoir.
Une fille de boutique.
Un valet de chambre.
Une femme d« chambre.
Le jardinier.
Le cocher.
Le cuisinier.
La cuisinière.
La couturière.
Le blanchisseur.
La blanchisseuse.
Le laitier.
La laitière.
L'herbier.
L'herbière.
La fruitière.
Un étranger.
Un voisin.
Une voisine.
Un aveugle.
Un sourd.
Un muet.
Un sourd-muet.
Un géant.
Parties du corps :
Un corps.
Une ame.
Un esprit.
Les membres (matibrë)*
La téte.
Le visage.