Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
93
haren geheelen omvang genomen, behooren, zoo antwoord ik :
het tegenwoordige Hoogduitsch en al de hoogere dialecten,
die in het zuidelijke en zuidoostelijke Duitschland gesproken
worden; voorts ons Nederlandsch en al de daarmede vei-
inaagschapte lagere duitsche dialecten, in het noorden van
Uuitschland ; vervolgens het Deensch en Deensch-Noor-
weegscb, het Zweedsch, het oud-IJslandsch, en eindelijk het
Engelsch. Deze allen geven de duidelijkste blijken van hunnen
gemeenschappelijken oorsprong, schoon de overeenkomst tus-
schen het tegenwoordige Hollandsch en Hoogduitsch zekerlijk
vrij wat meer in het oog loopt, dan b.v. die tusschen het
Hollandsch en het Engelsch, of Deensch.
§ 165.
Van onheugelijke tijden aan schijnen er in de algemeene
duitsche taal twee hoofddialecten geheerscht te hebben, het
hoogere en het lagere namelijk. Nog kan men het onderscheid
tusschen deze twee tongvallen (of wil men ze liever talen hee-
ten?) duidelijk opgeven, en ook duidelijk aantooneu, in welke
streken elk hunner te huis hoort. Men kan zelfs eene geographi-
sche lijn trekken, waardoor het gebied der hoogere en dat der
lagere tongvallen, op eene kennelijke wijze, worden afgebakend,
'l'rekt men b.v. in zijne gedachten eene zoodanige lijn van de
grenzen der zuidelijke provinciën onzes rijks, waar het Vlaamseh
in het Fransch versmelt, over Aken, naar Göttingen, Witten-
berg tot hoog op aan de kusten der Oostzee toe, dan behoort het-
gene ten noorden en noordwesten van die lijn ligt, ons Vaderland
er onder begrepen, onder de taaiheerschappij van den neder-
duitschen tongval; terwijl datgene, wat ten zuiden of zuidoosten
ligt, tot die van den opperduitschen behoort. Dat echter
beide hoofdtongvallen hier en daar, en vooral op ile grenzen
van hun grondgebied, in elkander spelen, kan men licht be-
grijpen. Veel karakteristieks is er zelfs in onze taal, dat
Opper- of Hoogduitsch schijnt, en zoo ook omgekeerd. Uit
de vermenging der hoogere en voor een deel der lagere tong-
vallen is het tegenwoordige Hoogduitsch ontstaan, dat, als