Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
88
kracht groeijenden en welig tierenden, tronk voortgesproten,
en met dezen laatste, in de meeste opzichten, Qog denzelfden
aard hebbende. Dat deze vergelijking, voor zoover zulks met
vergelijkingen plaats kan hebben, niet ten eenenmaal ongepast
is, kan daaruit blijken, dat onze wortelwoorden, onze voor- en
achtervoegsels van afleiding, (vergelijk § 11 en volg.) en andere
dergelijke oorspronkelijke bestanddeelen van het Nederlandsch,
over het algemeen nog vol leven, en etymologisch zeer ver-
staanbaar zijn, ten gevolge waarvan onze meeste derivata en
composila, dat is, afgeleide en samengestelde woorden, zich
uit en door zich zelve laten ophelderen. In het Fransch inte-
gendeel heeft men honderden van de meest dagelijksche eu
meest gewone woorden, die geheel en al uit vermolmde latijn-
sche bestanddeelen gevormd zijn, en wier beteekenis zich
niet, dan uit de taal van het oude Rome of Athene, verklaren
laat. Men neme b.v. de woorden, idee, suicide, enjlé, passion,
encens, magnaninie, pusiUaniine, cij-conspect, adoption, énigme,
capital, chapitre en een aantal anderen. Van alle dezen zijn
de afleiding en oorspronkelijke beteekenis voor een' Fransch-
inan, die geen Latijn of Grieksch verstaat, voorzeker even
onverklaarbaar, als integendeel ieder Hollander, die maar
een oogenblik zijne aandacht er bij bepalen wil, gemakkelijk
ziet, dat ons woord dcnkheeld eeu beeld, of eene voorstelling
beteekent, welke men zich, al denkend, maakt; zelfmoord,
moord van zichzelven ; opgeblazen, iets, dat door wind ge-
zwollen is; drift, eene heftige drijving, beroering en tocht
des harten of der ziel; wierook, rook, die, al dwarrelend,
zich verheft, (van het oude wiën, d.i. draaijen, volgens iiiL-
derhijk) of wel rook, waarmede men wijdt, heiligt; medelij-
den, het lijden, dat men met iemand doet (zoo men het niet
van het oude lijden, in den zin van gaan, wil doen afstammen,
gelijk wij toch ook van meegaand voor meelijdend spreken) ;
grootmoedig, kleinmoedig, groot of klein van ziel of gemoed;
omzichtig, naar alle kanten omziende ; zoonsaanneming, aan-
neming tot zoon; raadsel, iets, waarnaar men raadt; hoof-
delijk, hoofdstuk, afleidingen van hoofd enz. enz. Al deze