Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
87
Gelijk hem in zijn' loop de heken
Geen vocht, als schalling, doen ontbreken,
Verweldigd door zijn stoute vaart.
Terwijl hij, naamv die dropplen tellend,
Maar uil zijn eigen volheid zwellend.
Zijn zuiver nut en naam bewaart.
Zoo zijt Gij, voor onheughre dagen.
En waar 't aloud geschiedblad faalt.
En icaar vergeefs zich de oogen wagen
Uit zuivre, heldre wel gedaald. En/.
Men werpo mij hier niet tegen, dat indiervoege alle talen,
sedert onheugelijke dagen, uit aloude en zuivere bronwellen
zijn voortgevloeid, daar zij toch, (zal men zoggen) zoo zij zelve
ook al in hare tegenwoordige gedaante, op zulk eene eer-
waardige grijsheid geene aanspraak kunnen maken, allen toch
weder uit vroegere oudere talen, en dezen eindelijk uit de
alleroudste gespi-oten zijn. Men bewere niet, dat dus het heden-
daagsche Fransch ook eene zeer oude taal is, als hebbende
dat zijnen oorsprong aan het vroegere Fransch, en dit laatste
aan het Latijn, en aan de met deze spraak misschien nauw
verwante oud-gallische dialecten, gevolgelijk aan talen en
tongvallen te danken, die allen vóór eeuwen reeds bestonden.
Men zegge niet, dat men in het Latijn veel grijzer oorkonden
heeft, dan men in eenig oud-duitsch dialect kan aanwijzen.
Deze bedenking toch laat zich ontzenuwen door de aanmerking,
dat het tegenwoordige Fransch niet meer met het Latijn en
de oud-gallische tongvallen zulk een' samenhang heeft, als
onze spraak met het oude Duitsch; kortom, dat het Fransch
veelmeer eene geheel nieuwe taal, dan eene voortzetting (om
het dus uit te drukken) van vroeger talen te noemen is.
]\Ien kan dus de taal onzer zuidelijke buren vergelijken bij
een' tak, die op een' ouden, half vermolmden en verganen
stam geönt is, terwijl onze taal en het Hoogduitsch integendeel
meer zweemen naar twijgen, onmiddellijk uit eenen, nog in volle