Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
85
7oude men in onze, of in andere falen twee woorden kunnen opnoe-
men, di3 volkomen synonymisch zijn? Zijn zulks b.v. ziek enkranky
wassen en groeijen, halsstarrig en hardnekkig, maar doch, hoewel
en ofschoon, evenwel en nogtans, en sooitgelpe? Wie kan men bij
ons over de synonyma raadplegen ? enz. enz.
6) Wat verstaan de Ouden door het wooi d periode ? Wat is eene
éenledige periode? Wat eene twee- o( <\ne\edige(periodusbimembr(s
aut trimembris)? Wat noemt men de protasis en apodosts der pe-
l iuden ? enz. enz.
7) Welke soorten van volzinnen hebben wij al meer, dan die, in
§ 145 opgenoemd?
8) Hoe lang kan men volzinnen maken, of welke maat van lengte
moeten zij hebben ?
9; Wat voorbeelden van gebrek aan samenhang in de zinnen (zie
§ 149) laten er zich al opgeven ?
10) Wanneer noemt men een' zin gesloten, wanneer meer dan ge-
sloten ? (zie § 15-2.)
11) Wat is tautologie en pleonasmus, waarvan in § 154 en 155
gesproken wordt? Welke voorbeelden laten er zich van aanvoeren?
Hoe kan ove •tolligheid of veelspraak plaats hebben in enkele syllaben,
hoe in enkele woorden, hoe in geheele zinsneden ? Hoe kan men lang-
wijlig, waterig, gerekt, mat, soppig, sleepend, zenuwloos van stijl
worden, door eene gedachte zonder noodzaak, op meer dan èéne wijze,
Uit te drukken, dat is, door ze (gelijk de vermaarde engelsche schiij-
ver swii-T het kluchtig genoeg noemt) evenals een haas, zoo af te
jagen, dat zij op het laatst dood tei- nederzinkt; door nuttelooze om-
schrijvingen, in plaats van de zaak bij haren rechten naam te noemen;
^oor inmenging van geheel ongelijksoortige, en tot de hoofdgedachte
niets bijdragende denkbeelden; door een ontijdig verwijlen bij de
laatstgemelde enz. enz.? — Welke regels zijn vooi het oveiige bij
datgene, hetwelk men in het algemeen hesnoeidheid {précision) van
stijl noemt, ia het oog te houden?
12) Waarom moet men voorzichtig zijn ten aanzien van het gebruik
en de plaatsing der reJedeelen, wjarvan in § 156 gesproken wordt,
en welke voorbeelden van een' kwaden stijl zijn er te dezen aanzien
te geven ?
13) Welke voorbeelden van feilen, in § 157 opgenoemd, kan men
aanvo( ren ?
14) Hoe moeten sommige woorden geplaatst worden' om te voldoen
aan hel voorschrift, in § 158 voorkomende?
15) Door welke voorbeelden laat § 159 zich ophelderen?