Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
84
een paar wenken gesloten wordt over de beste wijze, om zich
in den stijl en de welsprekendheid te oefenen.
Weinig zal dit alles echter voor hen baten, die zich do
eerste grondbeginselen van den stijl, waartoe vooral ook taal-
kennis behoort, en wel taalkennis, uit een wat hooger eu
nauwkeuriger oogpunt beschouwd, dan zij gewoonlijk be-
schouwd wordt, niet eigen gemaakt hebben. Ter voorkoming
van dit gebrek, hopen wy, dat dit om tegenwoordig hand-
boek almede het zyne , hoe onbeduidend ook, zal kunnen
bydragen.
Wij zullen dus ook thans nog eenige eigenschappen van
het Nederlandsch aanroeren, waarvan de kennis niet anders,
dan eenen voordeeligen invloed op steloefening en stijlbescha-
ving hebben kan. Vooraf echter volgen hier nog eenige vra-
gen, tot de onderwerpen, welke wij in eenige der boven-
staande §§ behandeld hebben, in betrekking staande, en iu
de lessen zelve kortelijk te beantwoorden.
1) Welke hooge gedachten hebben de Ouden van duidelijkheid in
den stijl? Waarin kan onduidelijkheid al bestaan, en waaruit kan zij
al omstaan? Kan men ook al te klaar en duidelijk willen zijn?
Hoe kan men duister zijn met opzicht tot enkele woorden? Hoe ten
aanzien van de plaatsing en verbinding der woorden? enz. enz.
2) In wat opzicht moet datgene, waarvan in § 137 gesproken wordt,
en dal men gebruikelijkheid of gebru'ikmatigheid in den stijl noemen
kan, al betracht worden ? Hoe b.v. zondigt men er tegen, wat do
spelling en het verdere grammaticale betreft? Hoe ten aanzien van
figuurlijke en andere soorten van uitdrukkingen? Hoe met opzicht tot
geheele woordschikkingen en wooidvoegingen ? enz. enz.
3) Op welke wijze zondigt men tegen het vpegelijke der woorden
en tegen do voegelijkheid van den stijl in het algemeen ? Hoe b.v
feilt men er tegen, in betrekking tot de zaak, waarover men schrijft?.
Hoe door het bezigen van ongelijksoortige uitdrukkingen? Hoe door
gemaaktheid ? enz. enz.
4) Waardoor kan men onjuist zijn in zijne woordenkeus (waarvan
in § '139 gesproken wordt)? Hoe kan men zulks door het gebruik
van onbepaalde wijzen, bevestigingen en ontkenningen, woorden van
eene onvaste of te wijde beteekenis, woordschikkingen ? enz. enz.
5) Wat zijn in den eigenlijken zin des woords s y n o'n y m a ?