Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
83
■dcii, over datgene, wat men de leer der spraakfiguren noemt,
en over de zoogenaamde karakters van den stijl. Dau gaan
wij over tot de beschouwing van de kunst des eigenlijk ge-
zegden redenaars, of tot die der welsprekendheid, in hare en-
gere beteekenis. Hierbij wordt nagespoord , wat welspre-
kendheid eigenlijk zij, waarin zij van de dichtkunst versohille,
en wat men voor de vier hoofdpunten houden moete, die bij
het opstellen en voordragen van redevoeringen, of soortgelijke
stukken van welsprekendheid, overal en te allen tijde in
-aanmerking komen. Deze hoofdpunten zijn namelijk, voor-
eerst de vinding {inventio), van welke de Ouden ongemeen
veel werks maakten, (gelijk zulks iu mijne afzonderlijk hier-
over uitgegevene voorlezingen gemold is); ten tweede, de
regeling of rangschikking (dispositio); ten derde de uitdruk-
king door middel van woorden of elocutio, (van welk stuk
wij echter het grootste deel thans reeds in dit ons handboek
beschouwd hebben) ; en ten vierde de uitspraak of mondelijke
voordracht {pronuntiatio). Van deze vier hoofdpunten, bene-
vens van hunne onderafdeelingen, zooals daar b.v. zijn de
leer over de inleidingen van redevoeringen, die over hetgene
men het verhaal ot de verklaring noemt, die over het be-
toog of bewijzende gedeelte, en die over het slot oi de toe-
passing, wordt in ons ander handboek een overzicht gegeven,
en worden de voornaamste eigenschappen en vereischten op-
genoemd, terwijl wij, na dit ten einde gebracht te hebben,
tot de beschouwing der verschillende soorten van welsprekend-
heid overgaan. Hiertoe brenge men hoofdzakelijk de kansel-
welsprekendheid, de baliewelsprekendheid, de staatkundige
welsprekendheid, en eindelijk die soort van het welzeggen,
welke de onbepaalde genoemd kan worden, en waaronder
verschillende gemengde opstellen, als daar zijn lofredenen,
lijkredenen, akademische redevoeringen enz. behooren.
Ten slotte volgen er nog eenige regelen over andere soor-
ten van den prozastijl, als daar zijn die van geschiedkundige,
van leerkundige of didactische, en van dialogische opstellen,
die van brieven en dergelijke meer, terwijl het geheel door