Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
Wat waert ghy liever, Dirck! (my soud' het i^iachligli schelen)
Een ongeleert wijs man, of een geleerde sot'?
Één is hier iemand, naar de w^ze der Hoogduitscheren, die
misschien zouden vertalen: Es ist ganz und gar nicht auszu-
sprechen, wie die Narren einem Langeweile machen können u.s.w.
§ 161.
Wat de fraaiheid van den stijl l)etreft, deze wordt — be-
halve door al hetgene, waarvan reeds gesproken is — ook nog
bevorderd door eene zoodanige keuze en rangschikking der
woorden, als het meest geschikt zijn, om het gehoor te
streelen. Is hieraan voldaan, dan zegt men, dat de stijl
prozamaat, welluidendheid, harmonie der zinnen, kortom,
datgene bezit, wat bij de Ouden den naam van numerus
droeg, en door hen boven alles geschat werd. Wij handelen
over dit onderwerp breedvoerig in onze andere voorlezingen,
waarin wij, naar de leer der redekunst, aantooneu , hoe
de numerus betrekking heeft, èn tot enkele woorden, èn tot
geheele zinnen, en waarin tevens opgegeven wordt, welke
algemeene regels zich van voren, of a priori, daarover laten
voorschrijven. Hier ter plaatse behoeven wij dit stuk dus
niet verder aan te roeren, gelijk wij dan ook onze voor-
schriften over den stjjl in het algemeen hier sluiten kunnen,
om ons nog bij eenige andere onderwerpen te bepalen. Het-
gene toch verder tot de leer van e en goeden schrijftrant, en
tot die der hoogere welsprekendheid betrekking heeft, wordt
in mijn klein handboek over de nederlandsche redekunst, het-
welk ten leiddraad bij mijne andere voorlezingen strekt, be-
handeld. In deze laatste voorlezingen, namelijk, loopt hei on-
derzoek over den verschillenden aard der gedachten, en hoe
deze tot het verhevene, schoone, roerende, geestige, luimige,
en wat dies meer zij, in betrekking kunnen staan; terwijl
men door gepaste plaatsen, uit redenaren en dichters genomen,
zulks poogt op te helderen. Vervolgens wordt er gehandeld
over den numerus, over de keuze van schilderachtige woor-