Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
81
dient men, op het einde der zinnen, met de plaatsing der
woorden voorzichtig te zijn, en zorg te dragen, dat men, over
het algemeen, dan geene kleine en onbeduidende woorden
bezige, dat men de langste leden aan het slot brenge, dat
men soms woorden van nadruk herhale enz. enz. Dit eene on
andere heeft op de gespierdheid van stijl, hetzij ten goede,
hetzij ten kwade, veel invloed.
S 160.
Afgepastheid, juistheid, duidelijkheid en klaarheid, zeiden
wij, dat in de derde plaats tot de vereischten van goede zinnen
behoorden. Natuurlijk! want zij behooren tot de eigenschap-
pen, die eiken goeden stijl versieren moeten. Op wat wijze
nu deze deugden voortgebracht en bevorderd kunnen worden,
laat zich uit hetgene hierboven over de keuze van enkele
woorden gezegd is, vrij goed opmaken. Men wachte zich
voor onnauwkeurige, verwarde, dubbelzinnige uitdrukkingen ;
jnen vei'mijde verkeerde woordvoegingen en woordschikkingen;
men plaatse de zinteekenen däär, waar zij moeten staan ; men
zij voorzichtig met het gebruik der betrekkelijke voornaamwoor-
den, en van zoodanige koppel- en bijwoorden, als aanleiding
tot dubbelzinnigheid zouden kunnen geven; men scheidede
adjectieven en participiën niet to ver van hunne substantieven,
noch het substantief van het werkwoord, waartoe het betrek-
king heeft; men verbinde die leden van een' zin, welke on-
middellijk op elkander slaan, ten nauwste te zamen; — en
wat dergelijke voorschriften meer zijn. Niemand, intusschen,
zal afgepastheid en duidelijkheid vermissen in de zinnen des
volgenden puntdichts van huygens, hetwelk, tot verlevendi-
ging der aandacht, aan het slot dezer § prijken moge.
Pedanten.
't h onuytsprekelick, hoe gecken een' vervelen,
Die, met haer hersenen in letteren verbrodt,
't Woord voeren, waer se zijn, en voeren 't zonder slof.
U. f.